Bronnen van de Antwerpse geschiedenis

Website: Neder-Lotharingen

Hieronder staat het overzicht van alle gebruikte citaten uit deze bron. Om meer te weten te komen over de andere bronnen voor één gebeurtenis, kan je op de naam naast het blauwe icoon klikken.

Uitgeverij: Wikipedia

Website: https://nl.wikipedia.org/wiki/Neder-Lotharingen

Citaten

Neder-Lotharingen was in de vroege middeleeuwen het noordelijke deel van het Middenrijk tussen Frankrijk (West-Frankenrijk) en Duitsland (Oost-Frankenrijk).

Als synoniem voor Neder-Lotharingen wordt al eens in het Nederlands Lotharijk en in het Frans Lothier gebruikt; in tegenstelling tot Lorreinen of Lorraine voor Opper-Lotharingen.

Neder-Lotharingen was in de vroege middeleeuwen het noordelijke deel van het Middenrijk tussen Frankrijk (West-Frankenrijk) en Duitsland (Oost-Frankenrijk). Als synoniem voor Neder-Lotharingen wordt al eens in het Nederlands Lotharijk en in het Frans Lothier gebruikt; in tegenstelling tot Lorreinen of Lorraine voor Opper-Lotharingen.

Neder-Lotharingen omvatte grosso modo:

  • het huidige Nederland: graafschap Holland (vanaf 1011), Sticht Utrecht (1046) van de graaf-bisschop van Utrecht, en de gouw Hamaland met graafschap Gelre (vanaf 1046) en graafschap Zutphen (1046); Maasgouw later deels graafschap Gelre, prinsbisdom Luik en graafschap Loon;
  • België zonder het graafschap Vlaanderen:
    • Brabantgouw met graafschap Brussel, markgraafschap Ename, landgraafschap Brabant;
    • Henegouw met graafschap Bergen en mark Valencijn (vanaf 1071 graafschap Henegouwen);
    • Lommegouw vanaf 1011 Graafschap Namen;
    • Haspengouw vanaf 1003 graafschap Leuven, vanaf 1040 Graafschap Loon;
    • graafschap Chiny (vanaf 971);
    • graafschap Luxemburg (vanaf 963);
    • en vanaf 1064 graafschap Limburg;
    • markgraafschap Antwerpen;
    • en Prinsbisdom Luik (985) met het latere hertogdom Bouillon en het abdijvorstendom Stavelot-Malmedy met zijn prins-abt.
  • een deel van Noord-Frankrijk: markgraafschap Valencijn en Kamerijk van de graaf-bisschop van Kamerijk, maar zonder het graafschap Artesië;
  • en delen van Duitsland tot aan de Rijn, inbegrepen Aken, Keulen met Gulikgouw, het latere graafschap Gulik, graafschap Kleef (1021) en keurvorstendom Keulen plus het gebied Oost-Friesland.

In 959 werd Lotharingen opgedeeld in de vicehertogdommen Neder- en Opper-Lotharingen onder het overstijgend hertogdom van Bruno, aartsbisschop van Keulen. Godfried van Neder-Lotharingen, zoon van paltsgraaf Godfried van Gulik, werd de eerste hertog van Neder-Lotharingen.

In 959 werd Lotharingen opgedeeld in de vicehertogdommen Neder- en Opper-Lotharingen onder het overstijgend hertogdom van Bruno, aartsbisschop van Keulen. Godfried van Neder-Lotharingen, zoon van paltsgraaf Godfried van Gulik, werd de eerste hertog van Neder-Lotharingen. In 977 werden deze twee territoria volwaardige hertogdommen: Lotharingen (Neder-Lotharingen of rest-Lotharingen) en het Hertogdom van de Moezel (Opper-Lotharingen).

Neder-Lotharingen kwam kerkelijk overeen met de toenmalige kerkprovincie van het aartsbisdom Keulen, met als suffragaan-bisschoppen Utrecht, Luik en Kamerijk. Karel, de verbannen jongere broer van koning Lotharius van Frankrijk werd door zijn neef Keizer Otto III tot hertog benoemd.

Karel, de verbannen jongere broer van koning Lotharius van Frankrijk werd door zijn neef Keizer Otto III tot hertog benoemd. Zijn zoon Otto (991-1012) volgde hem op en werd de laatste Karolinger in Neder-Lotharingen.

Karel, de verbannen jongere broer van koning Lotharius van Frankrijk werd door zijn neef Keizer Otto III tot hertog benoemd. Zijn zoon Otto (991-1012) volgde hem op en werd de laatste Karolinger in Neder-Lotharingen.

Karel, de verbannen jongere broer van koning Lotharius van Frankrijk werd door zijn neef Keizer Otto III tot hertog benoemd. Zijn zoon Otto (991-1012) volgde hem op en werd de laatste Karolinger in Neder-Lotharingen.

Tijdens de 11e eeuw verleende de koning van Duitsland in deze functie of als keizer van het heilige Roomse Rijk aan zijn hertogen militaire en juridische taken. Die bestond er onder meer in de westelijke grens met het graafschap Vlaanderen, gevormd door de Schelde te verdedigen. Verder stonden ze in voor de instandhouding van de pax publica of openbare vrede in het hertogdom en de voogdij over de kerkelijke instellingen.

Opmerkelijk is dat de hertog weinig eigen grondbezit had. Als militair had hij slechts de beschikking over Herstal en de rijksstad Aken als allodium. Ook later, als hertog van Brabant bezaten de hertogen in de 11e eeuw enkel goederen te Genepiën, Baisy en Asse.

Keizer Hendrik II stelde Godfried graaf van Verdun aan (1012-1023). Dit leidde tot een conflict in 1012 en 1015 met graaf Lambert I graaf van Leuven die zelf deze functie ambieerde.

Hendrik I van Limburg (1101-1106), zoon van Udo werd benoemd door keizer Hendrik IV tot opvolger, maar moest zijn functie opgeven omdat hij trouw bleef aan de afgezette keizer Hendrik IV na de coup van diens zoon, de latere keizer Hendrik V.

In 1106 ging de titel van hertog van (Neder-)Lotharingen over op Godfried I (1106-1128), graaf van Leuven en landgraaf van Brabant, achterkleinkind van Lambert I van Leuven. Hij was de grondlegger van het latere hertogdom Brabant.

In 1183 verwierf Hendrik I de titel hertog van Brabant. Zijn vader Godfried onderscheidde zich bij de verdediging van de stad Jeruzalem tegen Saladin. Als beloning verhief keizer Frederik I Barbarossa het landgraafschap Brabant tot hertogdom.

In 1183 verwierf Hendrik I de titel hertog van Brabant. Zijn vader Godfried onderscheidde zich bij de verdediging van de stad Jeruzalem tegen Saladin. Als beloning verhief keizer Frederik I Barbarossa het landgraafschap Brabant tot hertogdom.

Het territoriaal gezag van de hertog van Neder-Lotharingen werd in 1190, na de dood van Godfried III, opgeheven tijdens de Rijksdag van Schwäbisch Hall van het Heilige Roomse Rijk. Daarbij werd vastgelegd dat zijn erfopvolger Hendrik, hertog van Brabant, het hertogelijk gezag slechts mocht uitoefenen binnen zijn eigen gebieden en rijkslenen.

De hertogelijke titel bleef eeuwen tot de verbeelding spreken en werd het streefdoel van macht dank zij rivaliteit en gebiedsexpansie door meerdere graven van het oude Neder-Lotharingen: vooreerst de graaf van Leuven die hertog van Brabant werd; de graaf van Limburg werd hertog van Limburg; de graaf van Gelre werd hertog van Gelre/Gelderland; de graaf van Luxemburg werd hertog van Luxemburg; de heer van Bouillon werd hertog van Bouillon (15de eeuw); de baron van Aarschot werd hertog van Aarschot (16de eeuw).

Na René van Anjou begonnen de graven van de Moezel zich ook Duc de Lorraine te noemen, waardoor de naam Lotharingen uiteindelijk overging op het Franse deel. De hertogelijke titel van Neder-Lotharingen, veelal verfranst tot 'Duché de Lothier', bleef als gezagsloze eretitel tot op het einde van het Ancien Régime (1795) bestaan; de hertogen van Bourgondië alsook de Spaanse en Oostenrijkse Habsburgers noemden zich 'duc de Lothier'.

© nizrab .::. laatste update 2017-06-28