Bronnen van de Antwerpse geschiedenis

Website: Gallische oorlog

Hieronder staat het overzicht van alle gebruikte citaten uit deze bron. Om meer te weten te komen over de andere bronnen voor één gebeurtenis, kan je op de naam naast het blauwe icoon klikken.

Uitgeverij: Wikipedia

Website: https://nl.wikipedia.org/wiki/Gallische_Oorlog

Citaten

Julius Caesar was een van de machtigste mannen van de Romeinse Republiek: in het jaar 60 v.Chr. had hij tezamen met de gevierde veldheer Pompeius en de schatrijke financier Crassus het zogenaamde Eerste Triumviraat opgericht, een bondgenootschap van politieke zwaargewichten, die het politieke leven van de Republiek beheersten.

In 58 v.Chr. beëindigde Julius Caesar zijn consulschap in Rome, en ging gebukt onder een hoge schuldenlast door zijn gewoonte om de kiezersgunst te kopen met genereuze hoeveelheden smeergeld.

Als lid van het Eerste Triumviraat had Caesar zich kunnen verzekeren van het proconsulaat van de Romeinse provincies Gallia Cisalpina en Illyrië, voor de ongebruikelijk lange periode van vijf jaar. Een jaar later volgde Caesar de overleden Metellus Celer op als gouverneur van de provincie Gallia Narbonensis. Hierdoor kreeg Caesar de strategisch belangrijke provincies in handen, die de wegen van en naar het Italische schiereiland beheersten. Gallia Narbonensis bleek voor Caesar bovendien een uitstekende springplank voor inmenging in de aangelegenheden van de nog onafhankelijke Gallische stammen.

Tegen 61 v.Chr. ontwikkelde Orgetorix, een vooraanstaand edelman van de Keltische Helvetiërs, in het geheim en samen met leiders van de Aedui en de Sequani een plan om zijn volk uit het huidige Zwitserland naar de kust van de Atlantische Oceaan, het stamgebied van de Santones, te laten migreren. Gedrieën zouden ze de macht grijpen en over heel Gallië heersen. De Helvetiërs kwamen in 58 v Chr. achter dit plan en berechtten Orgetorix, die de dood vond.

Maar ze waren nog steeds van plan naar het westen te migreren, ontevreden over hun positie tussen de Germaanse Sueven, Romeinen en Gallische Sequani. Door de Romeinse Provincia (de huidige Provence) mochten ze niet trekken, dus trokken ze door Gallisch gebied. De problemen die de verhuizing van misschien wel ruim een kwart miljoen mensen met zich meebrengt, veroorzaakten grote opschudding in het doorgangsgebied.

Zoals Julius Caesar al had gehoopt, kwamen de Galliërs hem nu om hulp vragen. Hij versperde de Helvetiërs met een sterk leger de weg en versloeg ze volkomen. Een groot deel van het volk werd afgeslacht. De overlevenden moesten naar hun oude gebied terugkeren. Alleen een betrekkelijk kleine aan de Helvetiërs gelieerde stam, een afdeling van het grote Keltische volk der Boii in Bohemen, kreeg van Caesar toestemming om zich in Centraal-Gallië te vestigen.

Nog in hetzelfde jaar kreeg Caesar een verzoek van het Gallische volk der Aedui om hun steun te verlenen tegen hun buren en rivalen, de Sequani, die ook de leider van een Germaanse krijgsbende in dienst hadden, Ariovistus, een edelman van het Germaanse volk der Sueven. Caesar heeft in zijn verslag over de oorlog het gevaar van een dreigende Germaanse invasie in Gallië om propagandistische redenen stellig wat aangedikt, maar enige reden voor een dergelijke vrees was er zeker wel.

In elk geval slaagde Caesar erin de Sequani en hun Germaanse bondgenoten te verslaan en Ariovistus te dwingen om zich met zijn krijgers ten oosten van de Rijn terug te trekken. Het gevolg van deze twee spectaculaire overwinningen was dat een groot deel van de stammen van Centraal-Gallië zich nu genoopt zagen om "bondgenootschappen" met Caesar te sluiten, waarmee ze zich in feite aan de Romeinen onderwierpen.

In het jaar 57 v Chr. ging Caesar zich bemoeien met conflicten tussen de verschillende stammen der Belgae, een ondergroep van de Galliërs die tussen de Seine, de Marne en de Rijn woonden. Volgens Caesar waren de Belgen de dappersten van heel Gallië (Horum omnium fortissimi sunt Belgae) omdat ze het verst van de Romeinse beschaving woonden, geen contact hadden met handelaars (die luxeartikelen importeerden waarvan men verzwakt zou raken) en omdat zij regelmatig oorlog voerden met de Germanen, een buitengewoon ruig volk aan de andere kant van de Rijn.

In de winter van 57 op 56 v Chr. trok Caesar, zoals dat gebruikelijk was, zijn troepen terug in winterkwartieren, die gelegen waren aan beide zijden van de Alpen. Eén legioen, onder leiding van commandant Galba, legerde hij in Octodurus, het huidige Martigny in het Zwitserse kanton Valais, om de Alpenpassen te bewaken en daarmee de verbinding tussen de provincies Gallia Narbonensis en Gallia Cisalpina open te houden.

Door een felle opstand van drie bergstammen, de Seduni, Nantuates en Veragri werd het Romeinse legioen in ernstige moeilijkheden gebracht. De Romeinen slaagden erin de aanval op hun kamp af te slaan, maar Galba besloot zijn legioen toch maar naar veiliger streken terug te trekken. Caesar – handige propagandist als hij was – beschrijft het voorval alsof het een grote Romeinse overwinning was.

© nizrab .::. laatste update 2017-06-28