Bronnen van de Antwerpse geschiedenis

Website: Beleg van Antwerpen (1584-1585)

Hieronder staat het overzicht van alle gebruikte citaten uit deze bron. Om meer te weten te komen over de andere bronnen voor één gebeurtenis, kan je op de naam naast het blauwe icoon klikken.

Uitgeverij: Wikipedia

Website: https://nl.wikipedia.org/wiki/Beleg_van_Antwerpen_(1584-1585)

Citaten

Het jaar daarop kwam er een sterk calvinistisch bewind in de stad aan de macht dat zich zelf de Antwerpse Republiek noemde, deze stond onder leiding van buitenburgemeester Filips van Marnix van Sint-Aldegonde. In die periode van radicalisering was het katholicisme officieel verboden.

In 1582 was de hertog van Parma, Alexander Farnese, landvoogd van de Nederlanden geworden als opvolger van Juan van Oostenrijk. De moeder van Farnese, Margaretha van Parma, was ook al landvoogdes geweest, van 1559-1567.

Op 29 juli 1579 ging de stad ook deel uitmaken van de Unie van Utrecht. De grootste Nederlandse stad, met in die tijd meer dan 100.000 inwoners, werd daardoor de hoofdstad van de Nederlandse opstand.

Begin zomer had Willem van Oranje van zijn spionnen voorkennis gekregen van een ophanden zijnde beleg van Antwerpen. Het was belangrijk voor hem dat Antwerpen voor de staatsen behouden zou blijven. Hij nodigde Aldegonde en griffier Martine uit om zogenaamd de doop van zijn jongste zoon bij te wonen. Tijdens de ontmoeting verzekerde hij de Antwerpenaren dat hij binnen twee maanden de stad zou komen ontzetten mocht zij belegerd worden. Willem van Oranje gaf tevens opdracht om de Blauwgaren- en Kouwensteinsedijk door te steken, zodat de staatse vloot via de overstroomde gebieden Antwerpen kon bereiken, Parma daardoor verhinderd zou zijn schansen aan te leggen, het leger van Vlaanderen buitendijks te houden. In Antwerpen bestond grote weerstand tegen de plannen, met name het Vleeshouwersgilde, die weiden verloren zag gaan waarop jaarlijks twaalfduizend ossen vetgemest worden. Daarbij werd zelfs gedreigd met geweld.

Intussen waren werkzaamheden aangevangen aan de verdedigingswerken. Er werden verscheidene schansen opgeworpen langs de Schelde. Zoals de Sint. Antheunisschans, op het Vlaamse Hoofd, Van Burcht, Melkhuis, Tolhuis, twee onder de stad, de Austruweelse- en de Boerenschans. Hendrik T'Serraets stelde voor aan de samenloop van de Kouwensteinse- en Scheldedijk, waar hij zijn kasteel had, het beste punt was om de polders onder water te zetten. De vleeshouwers waren daar fel op tegen dat T'Serraets de stad moest verlaten en zijn heil bij Parma moest zoeken. Parma stelde hem voor zijn bewezen diensten na de overgave van de stad het Markgraafsambt in het vooruitzicht.

Op 22 juni kondigde de prins van Oranje een edict af, waarin op vooruitzicht van zware straffen werd gesteld om diegenen die met de koning of koningsgezinden gemeenschap hebben.

Farnese was een uitstekend strateeg en had een plan bedacht om de Vlaamse en Brabantse steden af te sluiten van hun exportgebied. Dit wilde hij bereiken door de kustgebieden en de Scheldemonding te veroveren. Hij had in de jaren 1583-1584 al veel steden opnieuw in handen gekregen. Op 3 juli 1584 begon de omsingeling van Antwerpen.

Parma had intussen bedacht wat de beste manier zou zijn om op Antwerpen te bemachtigen: de toevoer afsnijden en de stad uithongeren. Op 3 juli werd begonnen met het afsluiten van Antwerpen. Vijfduizend man onder de markies van Rijsburg tegen Liefkenshoek, zevenduizend man onder leiding van Mansfeld en Mondragon tegen de vesting. (Volgens Strada waren het vierduizend en vijfhonderd man voetvolk en acht vendels ruiters, die werden toegevoegd aan Mondragon, bij Rubaes drieduizend man voetvolk en vier vendels ruiters.) Mansfeld en Mondragon trokken bij Cruibeke de Schelde over, hoewel het Zeeuwse admiraalsschip dit tevergeefs probeerde te verhinderen. De doelstelling van de spitsing van het leger was om de schansen Lillo en Liefkenshoek te bemachtigen.

Liefkenshoek was nog niet veroverd, de eerste bestorming werd door de verdedigers afgeslagen, bij de tweede poging moest een krijgslist worden ingezet. Op 10 juli werden enkele hooiwagens onder de wallen gebracht en in brand gestoken. Door de rook waren de verdedigers niet in staat om zich op de wallen te bevinden, zodat de schans kon worden ingenomen, iedereen binnen de wallen werd doodgeslagen.

Op dezelfde dag werd Willem van Oranje doodgeschoten. Omdat zijn oudste zoon in Spaanse handen was werd prins Maurits benoemd als zijn opvolger.

De volgende dag was ook Doel bezet, 15 juli Zwijndrecht, op 17 juli Herentals. Op 26 juli vertrokken veel burgers naar Zeeland. Op 10 augustus werd Oorderen, kort daarna werd de Boerenschans ingenomen. Op 17 augustus viel ook Dendermonde. Op 19 augustus twee blokhuizen rondom Willebroek, op 20 augustus het kasteel Grimbergen. Sinds april hadden Ieper, Brugge en andere Vlaamse steden zich al overgegeven. Op 4 september Vilvoorde, 17 september Gent.

Antwerpen raakte steeds meer afgesloten, dagelijks verlieten tientallen gezinnen Antwerpen om hun geluk elders te vinden, ondanks het edict dat op 17 juli van kracht was. Het was vanaf die dag verboden om zonder toestemming de stad te verlaten, er waren zware straffen ingesteld voor burgers die betrapt werden zoals onteigening van al hun goederen en hoge geldboetes.

In oktober vestigde Parma zijn hoofdkwartier te Beveren, de insluiting van Antwerpen was bijna voltooid met het innemen van alle omliggende steden en dorpen. Behalve het water. Binnen Antwerpen dacht men niet aan die optie. Het zou zelfs onmogelijk zijn. Honderd timmerlieden, zeshonderd sappeurs, moesten tweeëntwintig in beslag genomen pleiten uit Dendermonde verbouwen tot een brug. De brug zou tussen twee forten komen, genaamd Philips- en Mariaschans. Een derde schans onder Lillo dekte de Kouwensteinsedijk. Op 10 oktober werd tevergeefs door Aldegonde persoonlijk geprobeerd dit te verhinderen, het kostte kapitein Peter de Bakker het leven.

Enkele voorname burgers in Antwerpen wilden in onderhandeling gaan met Parma. Deze werden als verraders opgesloten. Ze werden berecht en moesten, als voorbeeld voor anderen, hoge geldboetes betalen.

Enkele voorname burgers in Antwerpen wilden in onderhandeling gaan met Parma. Deze werden als verraders opgesloten. Ze werden berecht en moesten, als voorbeeld voor anderen, hoge geldboetes betalen. Farnese had van zijn spionnen vernomen over de sfeer binnen de stad, en achtte de tijd rijp om de stad op te eisen. Op 13 november zond hij een beleefde brief aan de wethouder. Er werd beleefd geantwoord dat men de vijandelijkheden zou gaan staken als Parma dat ook zou doen, en vrijheid van geweten zou toezeggen.

In januari 1585 waren in Antwerpen vier nieuwe kolonels benoemd om de verwarring die binnen de stad bestond te bezweren.

Begin februari zond Parma wederom een brief, waarin hij vermaande, dat zij zich moesten overgeven en een belofte de burgers goed te behandelen.

De Spanjaarden legden een 730 meter lange brug van schepen over de Schelde. Na de voltooiing van die barricade in februari 1585 kon de uithongering van de stad beginnen. De pogingen vanuit de stad zelf (met buskruit geladen zogenaamde mijnen) en vanuit Zeeland om de schipbrug op de rivier te doorbreken mislukten.

Intussen hadden Parma's werklieden zes maanden onophoudelijk aan de schipbrug gewerkt. Al op 25 februari kon het verkeer over de brug passeren.

De stad was intussen door een grote schipbrug (Parma's brug) geblokkeerd voor de scheepvaart. In de maand april hadden de Antwerpenaren nog een poging ondernomen die brug op te blazen, waarvoor de schepen "Fortuin" en "Hoop" waren uitgerust. Dertienhonderd mensen (vriend en vijand) kwamen bij de enorme explosies om het leven. Alhoewel een explosie de nabijgelegen schans had ondersteboven geworpen, had de brug daar nauwelijks onder geleden, de beperkte schade had Parma binnen drie dagen kunnen laten herstellen. Parma's brug, koningsgezinden keken gebiologeerd naar de schitterende lichtjes, de brug stroomde vol met toeschouwers die met een mengeling van verwondering, blijdschap en angst toekeken. De Schelde was door de branders prachtig verlicht, het schijnsel van harnassen en vaandels gaf een mooi effect, toen de soldaten zagen dat de branders een voor een doofden verdween de vrees, ze verbaasden zich over de onderneming, sommige beschimpten zelfs de staatsen, er werden soldatengrapjes gemaakt over de mislukte onderneming.

Strada schrijft: "Aangezien dat er bij heugenis van alle eeuwen niets verschrikkelijkers gehoord is" en vervolgt: "Het dodelijke schip barste met zo'n afgrijselijke knal dat het leek alsof de hemel naar beneden kwam vallen, het onderste werd gemengd met het bovenste. Zelfs de aardbol leek de sidderen. Na het bliksemen en donderen viel er een stortregen van kogels, er volgde een zonderlinge neerslag dat niemand zou geloven dat het gebeuren kon, als het niet gebeurt was." hij vervolgt met: "De Schelde wonderbaarlijk opgapende scheen eerst de diepten van haar grond te ontbloten, sloeg daarna over de dijken, de beweging van de springende aarde strekte 9000 stappen uit" Er werden tot op een afstand van tien kilometer nog grote stenen gevonden diep ingeslagen in de grond, welke van de explosie afkomstig waren. Slachtoffers waren "gelijk als licht kaf door de lucht" gevlogen. Een hopman uit de Maria schans overleefde op wonderbaarlijk wijze, hij werd uit zijn schans geblazen, bleef een tijdje in de lucht, viel in de Schelde, wist in het water zichzelf te ontdoen van zijn harnas, en levend en wel naar de oever te zwemmen. Een jonge soldaat die dienst deed bij de lijfwachten van Parma, werd van Vlaanderen naar Brabant geblazen. Hij raakte slechts lichtgewond aan zijn schouder. Hij verklaarde: "Opgetild te zijn, daarna over de stroom vloog en als een kogel die uit een fors kanon geschoten was" Algemeen waren de koningsgezinden het er over eens, dit wapen kon niet door mensen gemaakt zijn maar moest duivelswerk zijn. Het dodelijke vuur kon niet anders dan hellevuur zijn. Een sergeant maakte melding van achthonderd doden, zonder de gewonden mee te rekenen, waarvan velen hun ledematen kwijt raakten. Ondanks de enorme explosie raakte de brug niet zwaar beschadigd. Parma's werklieden wisten de schade in drie dagen tijd te herstellen.

De brug en de omliggende schansen zou een strijdtoneel worden in mei. De laatste hoop op ontzet was nu gericht op de verovering van de Kouwensteinsedijk. Als de staatsen erin zouden slagen om de Kouwensteinsedijk te veroveren zou Parma's brug zelfs nutteloos zijn. Parma's troepen zouden dan verdrinken, of minstens gedwongen zijn om het beleg op te breken.

Op 28 mei voer het monsterschip Finis Bellis of Fin de la guerre (Latijn en Frans voor 'einde van de oorlog'; de Spanjaarden gaven het de naam "Carantamaula") tegen de dijk te pletter in plaats van de schipbrug te vermorzelen, hoewel andere bronnen melding maken dat het schip vastliep aan de grond.

De brug en de omliggende schansen zou een strijdtoneel worden in mei. De laatste hoop op ontzet was nu gericht op de verovering van de Kouwensteinsedijk. Als de staatsen erin zouden slagen om de Kouwensteinsedijk te veroveren zou Parma's brug zelfs nutteloos zijn. Parma's troepen zouden dan verdrinken, of minstens gedwongen zijn om het beleg op te breken.

Tijdens het stellen van de voorwaarden klonken vanaf Parma's brug en de dijken vreugdeschoten. Parma dacht even dat de Engelsen en Fransen waren gekomen om de staatsen te ontzetten, zijn vermoeide leger zou niet tegen de bijstand van verse troepen opgewassen zijn geweest. Er was een Spaanse vloot genaderd. Parma werd namens de koning in de kapel van de schans Sint-Philips, aan de Brabantse kant van Parma's brug, geridderd in de Orde van het Gulden Vlies, als beloning voor het veroveren van de stad Antwerpen, zodat hij met het sieraad om zijn hals entree kon maken. Na een plechtigheid door de aartsbisschop van Kamerijk, Lodewijk van Berlaymont, bood de graaf van Mansfeld het sieraad aan Parma het ereteken uit op 11 augustus.

In Antwerpen waren de verliezen een zware domper geweest. Er waren zelfs opstootjes ontstaan toen in Antwerpen het nieuws bekend raakte over de Spaanse herovering en het herstel van de dijk. Naast de katholieken in de stad, waren het nu ook de calvinisten, die met Parma over vredesonderhandelingen in gesprek wilden gaan. De graanvoorraden waren intussen drastisch geslonken, heel wat burgers, met name de rijken verlieten de stad. Er waren zelfs mensen die het verlies op de dijk als de straf van God zagen. In Holland kwamen reacties en hulp slechts traag op gang, ondanks het felle aandringen van Maurits en zijn Raad van State.

Nu eisten vooral de katholieken onderhandelingen met Farnese. Die werden door Marnix gevoerd in het Spaanse hoofdkwartier in Beveren en op 17 augustus tekende hij de overgave van de stad. De Peis (vrede) werd uitgeroepen op de Grote Markt. De burgemeester had bekomen dat tegenstanders van de koning de kans kregen de stad te verlaten. Veel protestantse kooplieden en intellectuelen maakten daar gebruik van en vertrokken naar het Noorden. Er werden in totaal vierentwintig voorwaarden opgesteld, onder andere: het katholieke geloof moest opnieuw ingesteld worden, kerken herbouwd, verdreven katholieke gezinnen en geestelijken moesten weer ontvangen worden. De koning zou de Antwerpenaren voor hun misdaden tegen het Spaanse Rijk vergeven en de ketters toestaan nog vier jaar in de stad te blijven wonen. Als schadevergoeding voor de onkosten van de belegering werd vierhonderdduizend gulden in rekening gebracht. Krijgsgevangenen (van beide partijen) moesten worden vrij gelaten, mits deze niet van tevoren een losgeld hadden bepaald.

Op 17 augustus werd een overeenkomst tot overgave gesloten, Antwerpen en omgeving werd opengesteld voor de officieren van Parma, zodat deze de stad konden inspecteren om de veiligheid voor Parma's intocht te kunnen garanderen. Parma's officieren werden met vreugde in de stad ontvangen. Parma stelde zijn intocht echter (om onbekende redenen) tien dagen uit. Intussen gingen Antwerpenaren massaal Parma's brug, de haven van Peerle en alle aangelegde Spaanse vestingwerken bezichtigen. De Antwerpenaren prezen de wonderlijkheid van alle werken. Behalve op de Kouwensteinsedijk, daar werd slechts gezucht. De dijk zag er nog steeds vreselijk uit. Doordrenkt van het bloed, rompen van lichamen, verspreide ledematen lagen op de plek waar zo hard werd gevochten in de laatste poging tot ontzet. Stilzwijgend werd het tafereel bezichtigd.

Uitbundiger was Parma's entree op 27 augustus, hij werd feestelijk ontvangen in de stad, waarbij Parma een gouden sleutel ontving. Daarna ging hij naar de kerk voor een eredienst. Parma hield daarna een toespraak en trok toen naar de citadel. De Spanjaarden en Italianen hielden ter ere van Parma een staatsie op Parma's brug.

Na de val van Antwerpen werden nog verscheidene pogingen ondernomen om de stad te heroveren en het Zuiden opnieuw bij de opstand te betrekken: in 1605, 1620, 1624, 1638 (Slag bij Kallo) en 1646 (zie Beleg van Antwerpen (1646)). Deze waren echter alle onsuccesvol en Antwerpen bleef tot de (katholieke) Zuidelijke Nederlanden behoren.

Na de val van Antwerpen werden nog verscheidene pogingen ondernomen om de stad te heroveren en het Zuiden opnieuw bij de opstand te betrekken: in 1605, 1620, 1624, 1638 (Slag bij Kallo) en 1646 (zie Beleg van Antwerpen (1646)). Deze waren echter alle onsuccesvol en Antwerpen bleef tot de (katholieke) Zuidelijke Nederlanden behoren.

Na de val van Antwerpen werden nog verscheidene pogingen ondernomen om de stad te heroveren en het Zuiden opnieuw bij de opstand te betrekken: in 1605, 1620, 1624, 1638 (Slag bij Kallo) en 1646 (zie Beleg van Antwerpen (1646)). Deze waren echter alle onsuccesvol en Antwerpen bleef tot de (katholieke) Zuidelijke Nederlanden behoren.

Na de val van Antwerpen werden nog verscheidene pogingen ondernomen om de stad te heroveren en het Zuiden opnieuw bij de opstand te betrekken: in 1605, 1620, 1624, 1638 (Slag bij Kallo) en 1646 (zie Beleg van Antwerpen (1646)). Deze waren echter alle onsuccesvol en Antwerpen bleef tot de (katholieke) Zuidelijke Nederlanden behoren.

Na de val van Antwerpen werden nog verscheidene pogingen ondernomen om de stad te heroveren en het Zuiden opnieuw bij de opstand te betrekken: in 1605, 1620, 1624, 1638 (Slag bij Kallo) en 1646 (zie Beleg van Antwerpen (1646)). Deze waren echter alle onsuccesvol en Antwerpen bleef tot de (katholieke) Zuidelijke Nederlanden behoren.

© nizrab .::. laatste update 2017-06-28