Bronnen van de Antwerpse geschiedenis

Website: Antwerpen - Stadsuitbreiding tot aan de 16de-eeuwse Spaanse Vesten

Hieronder staat het overzicht van alle gebruikte citaten uit deze bron. Om meer te weten te komen over de andere bronnen voor één gebeurtenis, kan je op de naam naast het blauwe icoon klikken.

Uitgeverij: Onroerend Erfgoed

Website: https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/122213

Citaten

circa -12500

Het gebied waarin Antwerpen ontstaan is wordt westwaarts begrensd door de Schelde, noord- en oostwaarts door Schijn en Potvliet; laatstgenoemde waren omringd door moerassig houtland. Deze zone was bereikbaar via de Scheldeoever en landinwaarts via de oost-west gerichte landrug op de lijn Oude Beurs, Wolstraat, Kipdorp en Borgerhoutse Steenweg. Het besproken land tussen de vesten en de leien wordt ten zuiden beheerst door het hoogland van Caloes dat zich uitstrekt van Scheldeke tot Kronenburg; verderop door de hoogten van Kauwenberg, Prinses-, Sint-Jacob- en Lange Klarenstraat aansluitend bij Kipdorp en Sint-Jacobsmarkt. Tussenbeide ligt een diepe boezem met daarin de Meir, de Groendalstraat en de gasthuisbeemden, eertijds uitlopend in de Schelde (via Eiermarkt, Groenplaats, Suikerrui) en in de vijftiende eeuw gedraineerd door de vaart van Meir, Wapper, Maria Pijpelincxstraat, Oude Vaartplaats en zo via de parkvijvers naar de Herentalse Vaart. Tenslotte is er nog het drassige land ten noorden van de Paardenmarkt.

na 140

Over de oudste bevolkingsconcentraties op het Antwerpse grondgebied heeft men lange tijd in het duister getast. Recent archeologisch onderzoek heeft echter het bewijs geleverd voor het bestaan van Gallo-Romeinse nederzettingen (tweede en derde eeuw) die echter alle tussen de vierde en de vijfde eeuw zijn teloor gegaan.

na 836

De eerste eigenlijke burcht is terug te voeren tot de negende eeuw: ze was omsloten door een halfcirkelvormige aarden wal die het tracé van de huidige burchtgracht volgt.

na 1055

De eerste eigenlijke burcht is terug te voeren tot de negende eeuw: ze was omsloten door een halfcirkelvormige aarden wal die het tracé van de huidige burchtgracht volgt. De woonzone die zich rondom deze kern ontwikkelde werd circa. 1070 om veiligheidsredenen met een watersingel omgeven: de gracht liep langs Suikerrui, de zuidzijde van de Grote Markt, Kaasrui, Jezuïetenrui, Minderbroedersrui en Koolkaai. De ruiendriehoek besloeg 19 A 20 ha.

circa 1116

In de omgeving van de oude Sint-Joriskapel, welke mogelijk reeds bestond in 1116, had zich al op het einde van de dertiende eeuw een bloeiende nederzetting gevormd, die de aanleiding is geweest tot het verheffen van de kapel tot parochiekerk in 1304.

De Sint-Michielsabdij gelegen tussen Klooster-, Kromme Elleboog- en Goede Hoopstraat had zich vanaf 1124 ontwikkeld bij de oude Sint-Michielskerk, die, hoewel buiten de vesten gelegen, tot dan toe als enige parochiekerk van Antwerpen had gefungeerd. Zij was een instelling van de norbertijnen, die hier de rot hadden overgenomen van de kanunniken die in 1124 naar de Onze-Lieve-Vrouwekerk waren verhuisd.

circa 1200

Een eerste vergroting - 1206-1216 - omsloot het inmiddels ontstane kwartier rond de Onze-Lieve-Vrouwekerk: Sint-Jansvliet, Steenhouwersvest, Lombardenvest, Wiegstraat (vroegere Ramshoofdvest) en Sint-Katelijnevest. De poorten aangebracht in de nieuwe omwalling waren: Sint-Jans-, Kammer-, Meir-, Katelijne-, Wijngaard- en Koepoort. De totale oppervlakte besloeg thans 31 ha 50 a.

De inlijving van de Sint-Joriskerk veroorzaakte tevens de opname binnen de wallen van het meer noordwaarts en dichter bij de tweede omwalling gelegen Sint-Elisabethgasthuis. Dit gasthuis dat waarschijnlijk reeds in 1204 bestond, maar dan binnen de stad in de buurt van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, was toen het aan vergroting toe was verhuisd naar zijn hoeve in de Elst in 1238.

De inlijving van de Sint-Joriskerk veroorzaakte tevens de opname binnen de wallen van het meer noordwaarts en dichter bij de tweede omwalling gelegen Sint-Elisabethgasthuis. Dit gasthuis dat waarschijnlijk reeds in 1204 bestond, maar dan binnen de stad in de buurt van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, was toen het aan vergroting toe was verhuisd naar zijn hoeve in de Elst in 1238.

De toevoeging van bet domaniale goed "Lisgat" omspoeld door Sint-Pietersvliet, Leguit, Verversrui en Falconrui dateert van 1250 (tweede vergroting).

De aanhechting van nieuwe terreinen en het optrekken van nieuwe wijken nam na 1250 zeer snel toe. Vermoedelijk was het plan voor de derde vergroting (1295-1314) gerijpt onder hertog Jan I van Brabant. Een der redenen daartoe was voorzeker de gestadige aangroei van de bevolking die zich overal buiten de vesten had neergezet. Ook vond men het gewenst de Sint-Michielsabdij die gastvrijheid moest verlenen aan hertog en hooggeplaatste personen, binnen de stadsvesting te halen. De bedenking dat de oude grachten en wallen maar weinig militair nut meer opleverden speelde wellicht ook mee. Begin veertiende eeuw werden de grote werken uitgevoerd.

na 1295

Door de vergroting vanaf 1295 werden verschillende oudere nederzettingen van de "vrijheid Antwerpen", dit is het gemeentelijk grondgebied, intra muros opgenomen: de Sint-Michielsabdij op het oude Kiel, de Sint-Joriskapel, het Sint-Elisabethgasthuis en de Gasthuisbeemden in het zuiden, het naburige Vleminckveld, het gehucht Kipdorp met het Antwerpsveld in het oosten en het Klapdorp in het noordoosten.

De Sint-Michielsabdij gelegen tussen Klooster-, Kromme Elleboog- en Goede Hoopstraat had zich vanaf 1124 ontwikkeld bij de oude Sint-Michielskerk, die, hoewel buiten de vesten gelegen, tot dan toe als enige parochiekerk van Antwerpen had gefungeerd. Zij was een instelling van de norbertijnen, die hier de rot hadden overgenomen van de kanunniken die in 1124 naar de Onze-Lieve-Vrouwekerk waren verhuisd.

In de omgeving van de oude Sint-Joriskapel, welke mogelijk reeds bestond in 1116, had zich al op het einde van de dertiende eeuw een bloeiende nederzetting gevormd, die de aanleiding is geweest tot het verheffen van de kapel tot parochiekerk in 1304. De inlijving van de Sint-Joriskerk veroorzaakte tevens de opname binnen de wallen van het meer noordwaarts en dichter bij de tweede omwalling gelegen Sint-Elisabethgasthuis. Dit gasthuis dat waarschijnlijk reeds in 1204 bestond, maar dan binnen de stad in de buurt van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, was toen het aan vergroting toe was verhuisd naar zijn hoeve in de Elst in 1238.

Rond hetzelfde tijdstip kwamen het Vleminckveld (eerste vermelding in 1307) - gelegen tussen Sint-Elisabethgasthuis en Sint-Joriskerk - en het Antwerpsveld - ten noorden van de Meir - binnen de omheining, laatstgenoemde samen met het Kipdorp (voor het eerst vermeld in 1223) dat buiten de Wijngaardpoort lag. De huidige Sint-Jacobsmarkt welke als een deel van het Kipdorp mag worden beschouwd bleef echter voorlopig buiten de vesten en zou pas bij het stedelijk centrum worden ingelijfd ter gelegenheid van de vierde stadsuitbreiding.

Tenslotte viel meer noordwaarts nog een laatste gehucht aan de Antwerpse expansiezucht ten offer, nl. het Klapdorp dat reeds vermeld werd in 1264 maar mogelijkerwijze van oudere datum is. Dit gehucht had zich ontwikkeld buiten de Koepoort en omvatte de Paardenmarkt; de inlijving van bet Klapdorp bracht meteen ook de Infirmerie van het Klapdorp binnen de wallen, een godshuis gesticht ten voordele van de zieke begijnen.

In de omgeving van de oude Sint-Joriskapel, welke mogelijk reeds bestond in 1116, had zich al op het einde van de dertiende eeuw een bloeiende nederzetting gevormd, die de aanleiding is geweest tot het verheffen van de kapel tot parochiekerk in 1304.

circa 1315

De aanhechting van nieuwe terreinen en het optrekken van nieuwe wijken nam na 1250 zeer snel toe. Vermoedelijk was het plan voor de derde vergroting (1295-1314) gerijpt onder hertog Jan I van Brabant. Een der redenen daartoe was voorzeker de gestadige aangroei van de bevolking die zich overal buiten de vesten had neergezet. Ook vond men het gewenst de Sint-Michielsabdij die gastvrijheid moest verlenen aan hertog en hooggeplaatste personen, binnen de stadsvesting te halen. De bedenking dat de oude grachten en wallen maar weinig militair nut meer opleverden speelde wellicht ook mee. Begin veertiende eeuw werden de grote werken uitgevoerd: vrijwel heel de Scheldeoever werd afgesloten en voorzien van circa 25 torens met als voornaamste de Visverkoperstoren nabij de Vismarkt, de Bakkerstoren aan de Suikerrui en de Kronenburgtoren achter St.-Michiels. Van de Schelde liep de nieuwe grens langs Willem Lepel-, Sint-Rochus-, Bervoets-, Schermers en Bourlastraat, Blauwtorenplein, Oude Vaartplaats en Wapper en via de Meir langs Lange Klaren-, Sint-Jacob- en Prinsesstraat, Kauwenberg, Stijfsel-, Falcon- en Verversrui en zo verder langs Oude Mansstraat en Sint-Pietersvliet terug naar de Schelde. Het grote werk heeft jaren geduurd, het voorziene plan werd herhaaldelijk gewijzigd en met de bouw van de zware muur is men nooit verder gekomen dan de Oude Vaartplaats (Blauwe Toren). In 1314 reeds legde men de grondslagen voor een nieuw tracé door het bouwen van de fundamenten van de Kipdorppoort en in 1317 die van de Rode Poort.

Circa 1375 was men volop bezig de inham weg te werken die de vestingwal aan de oostzijde nutteloos verlengde; daartoe werd een nieuwe gracht gegraven van het Blauwtorenplein via de Tabakvest, Kipdorpvest en Molenbergstraat tot aan de Rode Poort; van hieruit maakte de omwalling een bocht uitmondend in de Schelde ten noorden van de Sint-Pietersvliet; later circa 1410 werden op deze lijn de Ankerrui, Oude Leeuwenrui en Brouwersvliet uitgegraven. De nieuwe Kronenburg-, Sint-Joris-, Kipdorp- en Rode Poort vervingen respectievelijk de Sint-Jans-, Kammer-, Wijngaard- en Koepoort; de Slijk- en Pisternepoort ten N. leidden naar de polders, het Begijnhol ten zuiden naar het Begijnhof. De vierde vergroting bracht de stad van 156 op meer dan 210 ha voor een bevolking die steeg van 10 à 12.000 eenheden in 1358 tot circa 18.000 in 1374 en circa 20.000 in 1394. Van nu of tot het midden der zestiende eeuw bleef de grens van het omwalde stadsgedeelte ongewijzigd.

[...] Rond hetzelfde tijdstip kwamen het Vleminckveld (eerste vermelding in 1307) - gelegen tussen Sint-Elisabethgasthuis en Sint-Joriskerk - en het Antwerpsveld - ten noorden van de Meir - binnen de omheining, laatstgenoemde samen met het Kipdorp (voor het eerst vermeld in 1223) dat buiten de Wijngaardpoort lag. De huidige Sint-Jacobsmarkt welke als een deel van het Kipdorp mag worden beschouwd bleef echter voorlopig buiten de vesten en zou pas bij het stedelijk centrum worden ingelijfd ter gelegenheid van de vierde stadsuitbreiding.

circa 1400

Op enkele oudere kernen na kwam het gebied tussen de vesten van 1250 en de Spaanse wallen pas in de dertiende en veertiende eeuw tot ontwikkeling. Echte gesloten bouwblokken zoals in de kernstad kwamen slechts zelden voor. Een lintbebouwing langs straten kreeg langzaam gestalte. De belangrijkste bebouwde aders ca. 1400 waren Klapdorp - Paardenmarkt, Keizerstraat, Kipdorp, Lange Nieuwstraat, Meir, Huidevettersstraat - Lange Gasthuisstraat, Kammenstraat - Begijnenstraat, Korte en Lange Ridderstraat, Oever - Kloosterstraat: de uitvalswegen van de oudere stadskern en/of deel uitmakend van een ouder gehucht.

Vaak werden de huizen door niet bebouwde percelen onderbroken (tuinen, velden en boomgaarden, beemden, raamhoven en lijnbanen). Grote open ruimten waren het Raamveld (tussen Minderbroedersrui, Klapdorp, Kauwenberg en Keizerstraat) en de Gasthuisbeemden (tussen Huidevettersstraat, Gasthuisstraat en Meir enerzijds, de wallen van de vierde stadsvergroting anderzijds). Het Hopland (ten zuiden van de Meir en aangehecht circa 1375) bleef tot omstreeks 1500 onbebouwd en voornamelijk door moestuinen ingenomen.

circa 1500

De spectaculaire ontwikkeling die Antwerpen in de zestiende eeuw doormaakte, wordt het meest tastbaar veruiterlijkt door de toename van haar bevolking: van ongeveer 47.000 in 1496 tot 100.260 inwoners in 1568. De toenmalige verhoudingen in acht genomen mag men van een megapolis gewagen: slechts een tiental Europese steden telden omstreeks dezelfde tijd evenveel of meer inwoners.

Deze demografische groei gaf een enorme impuls aan de woningbouw. Tussen 1496 en 1568 steeg het aantal huizen intra muros van 6.147 tot 11.856, hetzij een vermeerdering met in het totaal 5.709 eenheden of ruim 72 per jaar. Toch volstond het aanbod geenszins om aan de vraag te voldoen.

De urbanisatie van het Sint-Andrieskwartier ging gepaard met een koortsachtige bouwactiviteit. Het feit dat de oude bidplaats der augustijnermonniken in 1529 tot parochiekerk werd ingericht, wijst op een sterk toegenomen bevolking.

De demografische expansie zette zich in het tweede kwart van de zestiende eeuw door. Nauwkeurige cijfers ontbreken weliswaar, doch we weten alleszins dat toen in het Sint-Andrieskwartier minstens driehonderd huizen werden bijgebouwd waarvan ongeveer één derde in de nabijheid van de gelijknamige kerk. Uit hun lage verkoopprijs, hun geringe oppervlakte en hun beperkte accommodatie blijkt duidelijk dat de meeste huisjes bestemd waren voor weinig kapitaalkrachtige personen. Deze situatie onderging geen wijzigingen in de loop der volgende eeuwen.

In 1520 werd het plan opgevat de bestaande versterking te verbeteren waarbij de Italiaanse krijgsbouwkundige Donato Buoni di Pellezuoli werd belast met het opmaken van een plan dat op 10 mei 1540 werd goedgekeurd. Alvorens het werk kon worden gestart brak er echter een oorlog uit tussen Karel V en Frans I: de inval van Maarten van Rossum en zijn kortstondig beleg van Antwerpen in juli 1542 leverden het duidelijk bewijs dat de middeleeuwse vesten niet meer voldeden. Aangezien vele kooplui bovendien dreigden de stad te zullen verlaten indien zij niet met een degelijker verdedigingssysteem zou worden uitgerust, besloot het stadsbestuur nu dadelijk met de nieuwe omwalling te beginnen.

In 1520 werd het plan opgevat de bestaande versterking te verbeteren waarbij de Italiaanse krijgsbouwkundige Donato Buoni di Pellezuoli werd belast met het opmaken van een plan dat op 10 mei 1540 werd goedgekeurd. Alvorens het werk kon worden gestart brak er echter een oorlog uit tussen Karel V en Frans I: de inval van Maarten van Rossum en zijn kortstondig beleg van Antwerpen in juli 1542 leverden het duidelijk bewijs dat de middeleeuwse vesten niet meer voldeden. Aangezien vele kooplui bovendien dreigden de stad te zullen verlaten indien zij niet met een degelijker verdedigingssysteem zou worden uitgerust, besloot het stadsbestuur nu dadelijk met de nieuwe omwalling te beginnen.

De algemene leiding berustte bij Donato Buoni terwijl de detailuitvoering werd toevertrouwd aan de Antwerpenaar Peter Frans. Van Kronenburgpoort (nu ter hoogte van de Scheldestraat) tot Rode Poort volgde de nieuwe vestinggordel ongeveer hetzelfde tracé als de oude omheining; in het noorden werd de stad echter aanzienlijk uitgebreid: de oude muur die zich uitstrekte van Rode Poort tot Herman Haeckxpoort (nabij de Sint-Pietersvliet) werd afgebroken en de gronden gelegen tussen de vroegere stadsgracht, de Rode Poort, het Schijn en de Kattendijk werden bij de stad gevoegd. Dit nieuwe stadsgedeelte dat een oppervlakte besloeg van circa 25 ha werd voortaan "Nieuwstad" genoemd. Hiermede groeide de totale stadsoppervlakte tot circa 260 ha.

In 1555 was de nieuwe versterking klaar. De omwalling was van het gebastioneerde type: ze bestond uit acht fronten met zeven bastions op de hoeken. Vijf poorten in renaissancestijl werden aangebracht: de Slijkpoort, Rode Poort, Kipdorppoort, Sint-Jorispoort die de grootste was en de Kronenburgpoort, laatstgenoemde na de bouw van de citadel vervangen door de Begijnenpoort; alle gesloopt in 1866. De vestinggracht was in drie vakken verdeeld.

[...] Toen de magistraat in 1542 besliste een nieuwe omwalling van het gebastioneerde type op te richten, besefte hij dat deze onderneming wegens haar hoge kostprijs elke verdere stadsuitbreiding ten zeerste zou bemoeilijken. Daarom oordeelden de vroede vaderen, aangespoord door de economische en demografische expansie, het wenselijk alvast 25 ha grond bij de metropool te voegen (vijfde stadvergroting). Tot 1548 bleef deze "Nieuwstad" moerassig braakland.

Als waagmeester had Gilbert van Schoonbeke geconstateerd dat het gebouw waar de meeste te Antwerpen verhandelde koopwaren moesten gewogen worden te klein was om de groeiende goederenstroom te absorberen. Daarom stelde hij het stadsbestuur in maart 1547 voor om de oude waag, gelegen in de gelijknamige straat, te verkopen en door een nieuwe te vervangen. Mits de nodige steekpenningen bekwam de speculant de steun van enkele hooggeplaatste ambtenaren, die hun collega's ertoe overhaalden ongeveer één ha stadsgrond ten zuiden van de Paardenmarkt voor een spotprijs aan Van Schoonbeke te bezorgen. Deze laatste moest echter op zijn kosten een nieuwe waag oprichten.

Het gebouw kwam tot stand in het midden van een rechthoekig plein (thans Stadswaag genoemd) van 57,4 m op 40,1 m zodat een grote ruimte openbleef ten einde een optimale circulatie van goederen en mensen mogelijk te maken. De drie nieuwe straten die op het plein uitkwamen en die alle ruim 9 m breed waren, verzekerden een vlot verkeer en waarborgden tegelijkertijd een winstgevende grondverkaveling. Gilbert van Schoonbeke had de inplanting van het complex tot in de puntjes bestudeerd. Via de Hoornstraat bracht hij de Stadswaag in verbinding met de Varkensmarkt en bijgevolg met de Paardenmarkt, een brede verkeersader die rechtstreeks naar de Rode Poort leidde. Via de Lange Brilstraat gaf hij het plein aansluiting op de uiterst belangrijke Venusstraat, die in het zuiden aan de even standingvolle Prinsstraat grensde. Via de Raapstraat ten slotte verschafte hij de toegang tot de Mutsaertstraat, die in het noorden aan het Klapdorp paalde, één der commerciële slagaders van de metropool. In tegenstelling tot de twee andere verbindingswegen die loodrecht op de Stadswaag stonden, had de Raapstraat een enigszins diagonale lijnrichting. De verklaring is dat Gilbert van Schoonbeke bij de opening van deze straat rekening moest houden met bestaande gebouwen.

De urbanisatie van de nieuwe wijk kende een buitengewoon succes. In anderhalf jaar tijd werden meer dan 80 % van de gronden verkocht. Benevens tientallen magazijnen, waaronder de nog bestaande "Nyeuwe Moriaen", verrezen in de omgeving van het plein talrijke handelshuizen en suikerraffinaderijen. Noteren we terloops dat het beroemde Suikerhuis der Balbani's zich in de Raapstraat bevond. Tot op het einde van de achttiende eeuw zou de Stadswaag één der voornaamste economische centra der Scheldestad blijven.