Bronnen van de Antwerpse geschiedenis

Scriptie: Een bijdrage tot de stedelijke lexicografie

Hieronder staat het overzicht van alle gebruikte citaten uit deze bron. Om meer te weten te komen over de andere bronnen voor één gebeurtenis, kan je op de naam naast het blauwe icoon klikken.

Auteur: Steven Van Impe

Uitgeverij: Universiteit Gent

Website: http://www.ethesis.net/lexicografie/lexicografie_deel_II_b.htm

Citaten

circa 641

De Vita Eligii is de oudste bron die ons de naam Antwerpen overlevert. De Andoverpenses worden er genoemd als inwoners van een urbs vel municipium. De passage luidt als volgt: Praeterea pastoris cura sollicitus lustrabat urbes vel municipia circumquaque sibi commissa. Sed Flandrenses atque Andoverpenses, Fresiones quoque et Suevi et barbari quique circa maris litora degentes ... primo eum hostili animo et adversa mente susceperunt...

Hier worden urbs en municipium dus gelijkgesteld. Zoals we reeds eerder hebben gezegd, vermoedde Jan Dhondt dat municipium in deze zin synoniem is van pagus, terwijl Van Uytfanghe een aantal termen met de connotatie "centrale plaats" voorstelde. De vertaling "bisschopsstad" komt dus niet in aanmerking. Antwerpen moet wellicht beschouwd worden als een gouwhoofdplaats (de gouw in kwestie is dan de pagus Renensium, het Land van Ryen). De vijandigheid die al deze volkeren tegenover bisschop Eligius aan de dag leggen wijst erop dat ze nog niet gekerstend zijn. Het zou dan ook vreemd zijn als Antwerpen in die periode reeds een bisschopsstad zou zijn.

circa 650

In de Vita Amandi wordt de nederzetting echter niet met naam genoemd, en gaat het over een eiland genaamd Chanelaus. Vroeger werd aangenomen dat hiermee de nederzetting Kallo (Lat. Calloes) bedoeld werd, maar tegenwoordig vermoedt men dat het over het latere Kiel gaat, een gebied ten zuiden van de St.-Jansvliet, waar ook de St.-Michielsabdij gelegen was.

De oudste vermeldingen van Antwerpen, met betrekking tot de kerk die door Rohingus aan de H. Willibrord werd geschonken, gebruiken de termen castrum en castellum. Deze kerk was gewijd aan St.-Pieter en St.-Paulus, een typisch toponiem voor kerken gesticht door St.-Amandus en zijn volgelingen.

In dezelfde periode (630/650) was te Antwerpen ook een muntatlier gevestigd, getuige een gouden triens gevonden te Bath met de inscriptie anderpvs. Deze draagt de naam van een muntmeester Chrodigisilus. In de Merovingische tijd was een muntatelier steeds verbonden aan een castrum.

circa 700

De Vita Eligii is de oudste bron die ons de naam Antwerpen overlevert. De Andoverpenses worden er genoemd als inwoners van een urbs vel municipium. De passage luidt als volgt: Praeterea pastoris cura sollicitus lustrabat urbes vel municipia circumquaque sibi commissa. Sed Flandrenses atque Andoverpenses, Fresiones quoque et Suevi et barbari quique circa maris litora degentes ... primo eum hostili animo et adversa mente susceperunt...

In de Vita Amandi wordt de nederzetting echter niet met naam genoemd, en gaat het over een eiland genaamd Chanelaus. Vroeger werd aangenomen dat hiermee de nederzetting Kallo (Lat. Calloes) bedoeld werd, maar tegenwoordig vermoedt men dat het over het latere Kiel gaat, een gebied ten zuiden van de St.-Jansvliet, waar ook de St.-Michielsabdij gelegen was.

De oudste vermeldingen van Antwerpen, met betrekking tot de kerk die door Rohingus aan de H. Willibrord werd geschonken, gebruiken de termen castrum en castellum. Deze kerk was gewijd aan St.-Pieter en St.-Paulus, een typisch toponiem voor kerken gesticht door St.-Amandus en zijn volgelingen.

In dezelfde periode (630/650) was te Antwerpen ook een muntatelier gevestigd, getuige een gouden triens gevonden te Bath met de inscriptie anderpvs. Deze draagt de naam van een muntmeester Chrodigisilus. In de Merovingische tijd was een muntatelier steeds verbonden aan een castrum.

© nizrab .::. laatste update 2017-06-28