Bronnen van de Antwerpse geschiedenis

Boek: Kerkelyke geschiedenis van het bisdom van Breda, Volume 1

Hieronder staat het overzicht van alle gebruikte citaten uit deze bron. Om meer te weten te komen over de andere bronnen voor één gebeurtenis, kan je op de naam naast het blauwe icoon klikken.

Auteur: Joannes Baptista Krüger

Uitgeverij: Jan A.G. Juten

Website: https://books.google.be/books?id=QiJQAAAAcAAJ

Citaten

Toen de Proost der Kerk en de kanoniken de vrucht ontwaarden, die Norbertus met de zijnen had ingeoogst; toen zij de gewenschte verandering onder de burgers zagen, hebben zij ook beginnen te overleggen, hoe zij die ijvervolle mannen bij zich zouden houden; zij begaven zich wederom naar den Bisschop, ten einde hem hun voornemen bekend te maken en zijnen raad te vernemen. Na onderlinge rijpe overweging, besloten zij hun eene kerk aan te wijzen met den grond tot het bouwen van een klooster en hen betamelijk te begiftigen zooveel zij vermogten ja hun zelfs hunne eigene kerk af te staan en tot eene andere over te gaan.

Behalve hunne kerk, stonden zij aan de Norbertijnen nog af de drie Kapelletjes: van de H.H. Martinus, Petrus en Magdalena, welke zich op het St. Michiels-Kerkhof bevonden, met een bunder land daaraan palende, benevens drie pachthoeven omtrent de stad, en vier prebenden, aan het Kapittel behoorende.

Dit groot werk van godsvrucht en dankbaarheid is in 1123 begonnen en in 1124 voltrokken, in welke jaren de diplooms van het kapittel en van den Bisschop, deze stichting bevestigende, vervaardigd zijn.

Zoodra de St. Michiels-Kerk (vermoedelijk in het jaar 900, trouwens de Kronijken geven dit te kennen) gebouwd was, is de pastorele zorg tot die kerk overgegaan, en was deze de eenige Parochie-Kerk in het distrikt van Antwerpen tot het jaar 1124, wanneer de pastorele zorg met het kapittel dezer Kerk overgebragt is tot de Kerk van Onze Lieve Vrouw, die later de Cathedrale Kerk was, en waarover wij straks zullen handelen.

Wanneer deze Kerk, door het vestigen van den zetel des Kapittels in dezelve, de eenige Kollegiale- en Parochie-Kerk was geworden, werd de H. Maagd Maria, aan wie zij van oudsher was toegewijd, tot Patrones en Beschermster der geheele stad, onder den titel van de Hemelvaart, aangenomen. Niet ten onregte wordt aan de bescherming van deze Moeder-Maagcl, welke alléén, gelijk de H. Kerk zingt, alle ketterijen vernietigt, toegeschreven, dat Antwerpen tot dusver zoo getrouw staande is ge-bleven in het Katholiek geloof, en dat de godsvrucht in die stad gedurig aangegroeid is dermate dat de stad zelve eertijds een Tempel Gods scheen te zijn.

circa 1148

Daar de H. Norbertus zijne orde had ingesteld voor beide geslachten, zoo is, te Antwerpen, bij de Abdij van St. Michiel ook een Klooster van Zusters gevoegd, onder den naam van Norbertinessen. Van deze vindt men voort 't eerst gewag gemaakt in een diploom van den Bisschop Lithardus of Lietardus, in het jaar 1135. Het Klooster was gebouwd op het uitgestrekt kerkhof van St. Michiel, bij de Kapel of Kerk van de H. Maria Magdalena, die haar toebehoorde.

Het werd de gracht geheeten, zegt Le Roy (Not. March. p. 53), vermoedelijk omdat het met eene gracht omgeven en van het mansklooster afgescheiden was. Wanneer het juist begonnen is, weet men niet. Het is het eerste nonnenklooster, dat, naar men vermeent, hier bestaan heeft. (Zie deswege de Abdij van St. Michiel en het Klooster St. Catharinadal, Art. Oosterhout.) Men noemde ze echter niet Norbertinessen, maar Zusters van de H. Maria-Magdalena. Later zijn hier voor de tweedemaal Norbertinessen (uit Oosterhout) aangekomen, welke eerst eene refugie en daarna een Konvent hebben gehad. (Ibid.) Zij bleven bestaan tot 1782.

Wanneer het juist gebouwd is, weet men niet; waarschijnlijk heeft men dit beginnen te timmeren, zoodra de mondige gebouwen voor de broeders afgewerkt waren. Het was het eerste nonnen-klooster, dat naar men weet hier heeft bestaan; edoch het bleef slechts weinige jaren in deze plaats; trouwens, toen de H. Hugo ten jare 1137 in het algemeen Kapittel had verkregen, dat de Zusters naar andere kloosters zouden overgeplaatst worden, (dit besluit gold alle kloosters), zoo heeft dit nonnen-klooster hier opgehouden te bestaan: werwaarts zij echter vertrokken zijn, is niet bekend. Vermoedelijk zijn zij naar een der voorsteden verhuist. Le Roij (Not. March) verhaalt dat de Kerk van de H. Maria Magdalena, die haar toebehoorde, naar Santvliet verplaatst is, met toestemming van Petrus Cardinaal Legaat van Paus Alexander IV; welke Kerk door de oorlogen verwoest, later onder Berentrecht, door den Abt Chrys. van der Sterre, in 1648, na het sluiten van den vrede herbouwd is.

Gelijk voor brave deugdzame dochters, die de volmaaktheid betrachtten, de weg daartoe open stond, hetzij door het werkzaam leven, als in een hospitaal of gasthuis; hetzij door het contemplatief of bespiegelend leven, als bij de Victorinnen; zoo was het te dien tijde, om de algemeene bedorvenheid der eeuw, wenschelijk, dat er voor de boetvaardige dochters, die uit den val opstaan, en een verbeterd leven leiden wilden, ook eene gelegenheid geopend werd, waar dezulke van de wereld en de verleiding afgezonderd, voortaan, voor God bekoord, hem getrouwelijk konden dienen.

Deze gelegenheid heeft een godvruchtig man, met name Gerardus in 1310 daargesteld, door zijne woning te verleenen aan de zondaressen, die zich hebben bekeerd. Tot bevestiging zijne gift en stichting heeft hij de toestemming van den Hertog verzocht welke Hoogst dezelve gaarne heeft gegeven, terwijl hij daarenboven verlof gaf om overal aalmoezen in te zamelen en zelfs de menschen tot geven aanspoorde. Gerardus verkreeg mede den waarborg voor de bekoorden, die godvruchtigheidshalve tot dit huis hare toevlugt namen, zoodat de Hertog zelfs verbood, dat niemand, zonder toestemming van Gerardus of zijnen plaatsbekleeder, het bedoelde huis mogt binnengaan, onder straf van inkerkering, enz.

Dit diploom, deswege in 1312 gegeven, vindt men bij Dierxksens t. 2 pag. 36-38; en Fr. Haraeus (Verhaer), die, gelijk hij zegt, dit diploom van het origineel heeft afgeschreven, noemt zich Prefect van dit Klooster en op eene andere plaats Pastoor van de H. Magdalena te Antwerpen: dàt was het Klooster.

Wie deze Gerardus, de stichter van dit Klooster is geweest, is voor als nog een raadsel. Hij was òf regulier òf wereldsch priester, wijl hij zich broeder noemt; waarschijnlijk heeft hij, in de laatste veronderstelling, zijn patrimonieel goed voor deze godvruchtige stichting besteed, en te kort komende, eenige aalmoezen moeten vragen.

Papenbrochius vermeent, dat het een Hieronimiaan, een monnik was, steunende op de overlevering, die wil, dat in de plaats, waar dit Klooster opgerigt is, eertijds Hieronimianen bestaan hebben. Dit komt mij het waarschijnlijkste voor, en - dat zij verkregen in hunne levenswijze te volharden totdat zij zouden uitgestorven zijn; wijders dat broeder Gerardus te dien tijde (38 jaren na hunne ontbinding) alléén of met weinige overigen, verlof heeft verkregen, om zijn huis te veranderen tot deze stichting, eene schuilplaats voor boetplegende vrouwen.

De religieusen van deze stichting of van dit Klooster werden Penitenten of Bekeerde Zondaressen genoemd, en witte- of wit-zusters naar haar wit habyt. Het blijkt niet, of zij van den beginne af eene Kapel hebben gehad.

Het Klooster had den naam van de H. Maria Magdalena, welke zij voor Patrones hadden verkozen, als zijnde deze ook bekeerd en van eene zondares een groote Heilige geworden. Hier moet men nogtans aanmerken, dat, ofschoon het Klooster eigenlijk gesticht was voor bekeerde zondaressen, evenwel voor anderen in 't vervolg ook toegang in hetzelve verleend werd Scribanius zegt, dat hier mede aangenomen werden, die elders waren afgewezen.

Deze gelegenheid heeft een godvruchtig man, met name Gerardus in 1310 daargesteld, door zijne woning te verleenen aan de zondaressen, die zich hebben bekeerd. Tot bevestiging zijne gift en stichting heeft hij de toestemming van den Hertog verzocht welke Hoogst dezelve gaarne heeft gegeven, terwijl hij daarenboven verlof gaf om overal aalmoezen in te zamelen en zelfs de menschen tot geven aanspoorde. Gerardus verkreeg mede den waarborg voor de bekoorden, die godvruchtigheidshalve tot dit huis hare toevlugt namen, zoodat de Hertog zelfs verbood, dat niemand, zonder toestemming van Gerardus of zijnen plaatsbekleeder, het bedoelde huis mogt binnengaan, onder straf van inkerkering, enz.

Het diploom van den Hertog zegt, dat dit huis gesticht was ter eere van het H. Kruis. De religieusen volgden den Regel van den H. Augustinus

In het jaar 1479, wanneer zij trachtten eene Kapel te bouwen, hebben de Kanoniken van het Cathedraal Kapittel haar toegestaan, dat zij bij de Kapel een kerkhof zouden aanleggen en laten wijden, dat zij het H. Sacrament der Eucharistie en het H. Oliesel zouden hebben voor de Religieusen, de leeke zusters en de novicen. Waarschijnlijk is haar te dien tijde ook een geestelijke bestierder of Rector vergund, die haar de Sacramenten toedienen en al het overige naar de behoefte der orde zou verrigten.

Het Klooster had den naam van de H. Maria Magdalena, welke zij voor Patrones hadden verkozen, als zijnde deze ook bekeerd en van eene zondares een groote Heilige geworden. Hier moet men nogtans aanmerken, dat, ofschoon het Klooster eigenlijk gesticht was voor bekeerde zondaressen, evenwel voor anderen in 't vervolg ook toegang in hetzelve verleend werd Scribanius zegt, dat hier mede aangenomen werden, die elders waren afgewezen.

Het diploom van den Hertog zegt, dat dit huis gesticht was ter eere van het H. Kruis. De religieusen volgden den Regel van den H. Augustinus; doch in 1551 heeft de Bisschop van Kamerijk Robertus eenige hervorming in dit Klooster voorgeschreven. Deze brief was in het Klooster voorhanden.

Ziehier het getal der kloosterlingen binnen Antwerpen opgemaakt door Dargonne, Kommissaris van het Directoire, aan het Centraal bestuur van het Departement, ingezonden den 26 Pluvioze jaar vier (1796).

  1. St. Michielsabdij: 23 kloosterlingen, 3 novicen; zamen 26.
  2. Minderbroeders: 29 priesters, 8 theologanten priesters, 6 die geen priester waren, 14 lekenbroeders, 1 leken-novice; zamen 58.
  3. Alexianen (Cellebroeders): 17 broeders, 2 novicen; zamen 19.
  4. Augustijen: 18 priesters, 5 broeders, 1 novice; zamen 24.
  5. Kapucijnen: 24 paters, 10 broeders studenten, 6 lekebroeders; zamen 40.
  6. Discalsers: 25 paters, 7 broeders; zamen 32.
  7. Franciscanen: 11 paters, 6 broeders; zamen 17.
  8. Minimen: 12 paters, 5 lekebroêrs; zamen 17.
  9. Predikheeren: 33 paters, 2 paters studenten, 12 broeders, 4 novicen klerken, 2 novicen broeders; zamen 53.
  10. Peeter-Potsheeren: 12 abdijheeren, anders niet.
  11. Kanoniken van het kathedraal-kapittel, groote en kleine, de Bisschop mede begrepen 30.
  12. Kapittel van St. Jacobs: 21 kanoniken, 10 vicarissen, 5 habituaten; zamen 36.
  13. Seminarium: 38 theologanten, zonder den president.
  14. Apostelinnen, in de Meierstraat: 52 zusters, 4 novicen; zamen 56.
  15. Apostelinnen, op de Paardemarkt: 61 zusters, 3 novicen; zamen 64.
  16. Zwart-zusters: 35 zusters, 3 novicen; zamen 38.
  17. Graauw-zusters: 33 zusters, 1 novice; zamen 34.
  18. Begijnen: 155, 3 novicen; zamen 158.
  19. Oostmallen: 18 nonnen, 8 zusters, 1 novice; zamen 27.
  20. Kapucijnessen: 24.
  21. Spaansche-Theresianen: 18.
  22. S. Elisabeths-gasthuis: 31 nonnen, 3 novicen; zamen 34.
  23. Ursulinnen: 17 nonnen, 2 novicen, 9 conversen; zamen 28.

Het totaal der kloosterlingen 298 mannen, 481 vrouwen, en 104 personen voor de 2 kapittels en het Seminarium. De Lieve vrouwebroeders, die reeds de maand April 1795 verjaagd waren, zijn er niet bij begrepen, eveninin als anderen, die vroeger door Keizer Joseph II uitgejaagd en vernietigd waren.

© nizrab .::. laatste update 2017-06-28