Bronnen van de Antwerpse geschiedenis

Boek: De Bello Gallico II

Hieronder staat het overzicht van alle gebruikte citaten uit deze bron. Om meer te weten te komen over de andere bronnen voor één gebeurtenis, kan je op de naam naast het blauwe icoon klikken.

Uitgeverij: Latijn en Grieks

Website: http://www.latijnengrieks.com/print.php?id=307

Citaten

Toen hij gedurende drie dagen over hun grondgebied had gereisd, kwam hij van de gevangenen te weten dat ze bij de Sabis niet meer dan tien mijl van zijn kamp verwijderd waren. En dat aan de overkant van die rivier alle Nerviërs bij elkaar zaten en daar op de komst van de Romeinen wachtten samen met de Atrebates en de Viromandui, hun buurvolkeren. Want ze hadden deze beide stammen overhaald om hun geluk te beproeven in dezelfde oorlog. Dat ze ook troepen van de Atuatuci verwachtten en die waren nog onderweg; de vrouwen en zij die omwille van hun leeftijd onnuttig schenen voor het gevecht dreven ze samen op een plaats die omwille van de moerassen niet toegankelijk was voor een leger.

Toen hij van hen deze dingen te weten was gekomen, zond hij verkenners en centurio's voorop, om een geschikte plaats voor het kamp uit te kiezen. Omdat uit de onderworpen Belgae en de overige Galliërs, die Caesar volgden en samen de reis maakten enkelen van hen, zoals men nadien te weten is gekomen, nadat ze in die dagen onze opstelling op mars hadden bestudeerd, 's nachts aankwamen bij de Nerviërs en hen toonden dat er tussen elk van de legioenen een groot stuk legerkolonne liep en dat het niet zo'n moeite zou zijn om wanneer het eerste legioen in het kamp zou aangekomen zijn en de andere legioenen een heel eind verwijderd waren, zelfs nog voor ze hun persoonlijke bagage hadden kunnen afleggen; wanneer dat legioen en haar tros uiteengedreven zouden zijn, dan zouden de overige legioenen geen weerstand meer durven bieden. Het plan van hen die de zaak verraden hadden werd gesteund door het feit dat de Nerviërs eertijds, omdat ze met hun ruiterij niets konden - en ze legden zich er nu ook niet op toe, maar al wat ze kunnen, zijn ze waard door hun infanterie - om des te gemakkelijker de ruiterij van de buurvolkeren, als deze op rooftocht naar hen waren gekomen, hadden belemmerd, door jonge boompjes te toppen zodat de takken in de breedte zouden uitgroeien en door het planten van braam- en doornstruiken ertussen, hadden ze bereikt dat de hagen, gelijk muren, waar men niet enkel niet door kon gaan, maar zelfs niet door kon kijken. Omdat deze zaken de tocht van onze legerstoet belemmerden, meenden de Nerviërs dat ze de raad niet in de wind mochten slaan.

Caesar stuurde de ruiterij vooruit en volgde op korte afstand met alle hulptroepen; maar de indeling en de marsorde was anders dan de Belgen aan de Nerviërs verteld hadden. Want, omdat hij de vijand naderde, liet hij zes gevechtsklare legioenen voorop marcheren, zoals zijn gewoonte was; hierachter had hij de tros van het hele leger verzameld; vervolgens sloten de twee laatstgelichte legioenen de hele kolonne, en zij dienden tot bescherming voor de tros. Onze ruiters, die samen met de slingeraars en de boogschutters de rivier waren overgestoken, bonden de strijd aan met de ruiterij van de vijand. Toen die zich herhaaldelijk in de bossen bij hun manschappen terugtrokken en vervolgens opnieuw vanuit het bos een aanval op de onzen deden, terwijl onze manschappen de wijkenden niet verder durfden te volgen dan tot waar de kale strook reikte, begonnen ondertussen de zes legioenen, na het afmeten van het terrein, een versterkt kamp op te slaan. Toen het eerste deel van onze legertros werd opgemerkt door diegenen die zich in de bossen verscholen hielden, wat het afgesproken ogenblik was om de slag te beginnen, stormden zij, zoals zij in het woud hun slaglinie en gelederen hadden opgesteld, plotseling met al hun troepen vooruit en vielen onze ruiters aan. Toen dezen gemakkelijk waren verslagen en in wanorde vooruitgejaagd, liepen ze met ongelooflijke snelheid naar de rivier zodat bijna terzelfdertijd zowel bij het bos als bij de rivier als bij ons vijanden te zien waren. Met dezelfde snelheid rukten ze langs de tegenovergestelde heuvel op naar onze kampplaats en de mannen die in beslag waren genomen door de schansarbeid.

Caesar moest alles tegelijk doen: de purperen vlag hijsen, wat het sein was, telkens als men te wapen moest lopen, de soldaten terugroepen van het schanswerk, diegenen die een beetje verder waren vooruitgegaan om het materiaal voor de wal te gaan halen terughalen, de slaglinie opstellen, de soldaten aanmoedigen en het teken met de krijgstrompet geven. Het tijdsgebrek en het aanstormen van de vijand verhinderde voor een groot deel deze zaken. Twee omstandigheden verhielpen echter deze moeilijkheden: de kundigheid en de ervaring van de soldaten, omdat zij door vroegere gevechten getraind waren, zodat zij niet minder gemakkelijk zichzelf konden voorschrijven dan de bevelen van anderen te moeten krijgen, en het feit dat Caesar de afzonderlijke onderbevelhebbers had verboden zich te verwijderen van hun respectievelijke legioenen en van het schanswerk; tenzij hun kampen opgesteld stonden. Dezen wachtten wegens de nabijheid en de snelheid van de vijand helemaal niet meer op het bevel van Caesar, maar zij troffen uit zichzelf die maatregelen die hun noodzakelijk leken. Nadat Caesar de hoogstnoodzakelijkste bevelen had gegeven, daalde hij af om zijnsoldaten aan te sporen en op goed geluk kwam hij aan bij het tiende legioen.

Na deze veldslag en nadat het volk en de naam van de Nerviërs bijna tot de vernietiging was herleid, zonden de oudsten, die, zoals we gezegd hadden, samen met de kinderen en de vrouwen in de beemden en de moerassen samengebracht waren, in de mening dat de overwinnaars tot alles in staat waren en de overwonnenen voor niets veilig waren, met goedkeuring van diegene die over waren, gezanten naar Caesar en gaven zich over aan hem. En bij het in herinnering roepen van de ramp die hun volk had getroffen, zeiden ze dat het aantal van hun 600 officieren teruggebracht was tot 3, dat ervan hun 60.000 soldaten nauwelijks 500 overbleven die een wapen konden hanteren. En Caesar bewaarde, omdat hij gezien wordt als iemand die tegenover de ellendelingen en de smekelingen barmhartig is, genadig hun leven en liet hij hen in het bezit van hun grondgebied en hun steden, en beval de buurvolkeren om zich en hun volk te onthouden van alle onrecht en misdaad.

Ongeveer 14 dagen na aankomst in de winterkampen werden Ambiorix en Catuvolco plots afvallig. Ofschoon zij aan de grenzen van hun koninkrijk hun diensten hadden aangeboden aan Sabinus en Cotta en graan naar het winterkamp hadden aangevoerd, hitsten zij, opgeruid door boodschappers van Indutiomaris, de Trevier, hun manschappen op. Ze overvielen plots de houthalers en kwamen met een grote bende het kamp aanvallen.

Toen de onzen snel de wapens hadden gegrepen en de wallen hadden beklommen en aan de winnende hand waren in een ruitergevecht doordat aan één kant Spaanse ruiters waren uitgezonden, deden ze hun vijanden die ten einde raad waren, de bestorming staken. Toen riepen zij, zoals hun gewoonte was, wild door elkaar dat er iemand van ons moest komen voor een overleg: ze wilden sommige zaken bepraten in het belang van beide partijen. Zij hoopten dat zij hierdoor de geschillen konden verminderen.

Arpinius en Inius meldden de dingen die ze gehoord hadden aan de legaten. Zij waren door dit plotse voorval hevig verontrust en hoewel deze dingen gezegd waren door de vijand meenden ze er toch niet achteloos aan voorbij te kunnen gaan. Ze waren vooral hierdoor geschokt, namelijk dat het nauwelijks geloofwaardig was dat een onbekende en eenvoudige stam van de Eburonen op eigen houtje het Romeinse volk had aangevallen. Ze legden dit dus voor aan de krijgsraad en er ontstond een groot meningsverschil onder hen.

L. Aurunculeius en verscheidene krijgstribunen en verschillende centuriones van de eerste cohorten meenden dat niets zomaar ondernomen of het winterkamp verlaten mocht worden zonder bevel van Caesar; zij wezen erop dat ze gelijk hoeveel Germanen konden tegenhouden door het gebouwde winterkamp. De feiten spraken voor zichzelf omdat ze de eerste vijandelijke aanval moedig hadden afgeslagen en zelfs velen hadden verwond. Ze werden niet gedwongen door de graanvoorrad en ondertussen zouden zowel uit de nabijgelegen winterkampen als van Caesar hulptroepen komen. En wat was er tenslotte lichtzinniger of schandelijker dan met de vijand als raadsman een beslissing te nemen van het hoogste belang.

Nadat er over beide zaken was gediscussieerd onder hevig protest van Cotta en de centuriones van de hoogste rangen, sprak Sabinus met stemverheffing, zodat een groot gedeelte van de soldaten het duidelijk kon horen: "Drijven jullie je zin maar door, als jullie dat willen. Ik ben niet diegene van jullie die het ergst vreest voor zijn leven. Dezen zullen het ervaren: als er iets ergs gebeurd zal zijn, zullen ze van jou rekenschap eisen; indien het door jou wordt toegestaan, zullen ze overmorgen verenigd met de nabije winterkampen samen met de overigen de gemeenschappelijke zaak van de oorlog uithouden en niet verworpen en geïsoleerd ver weg van de anderen omkomen ofwel door het zwaard ofwel door de honger."

De krijgsraad werd opgeheven; ze grepen elk van beiden bij de hand en smeekten de zaak door hun onenigheid en koppigheid niet te laten escaleren in het grootste gevaar: het was simpel, of ze nu bleven of ze vertrokken, als ze maar allen aan hetzelfde zeel zouden trekken; in de onenigheid zagen ze daarentegen geen enkel heil. De zaak sleepte door de onenigheid aan tot middernacht; uiteindelijk gaf Cotta zich verbitterd gewonnen; de zienswijze van Sabinus haalde het, er werd afgekondigd dat men bij dageraad zou vertrekken. De rest van de nacht bracht men al wakend door, omdat elke soldaat naar zijn bagage keek, wat hij kon meenemen, wat hij uit de winteruitrusting moest achterlaten.

Bij dageraad vertrokken ze uit het kamp in een eindeloze kolonne en met een overlast aan bagage op zo'n wijze dat het leek alsof de raad niet door de vijand gegeven was maar door hun beste vriend Ambiorix. Nadat de vijanden uit het nachtelijk lawaai en de wachtposten hun vertrek hadden opgemaakt, legden ze zich aan beide kanten in de bossen op een gunstige en verborgen plaats in een hinderlaag en wachtten daar op ongeveer 2 mijl afstand de komst van de Romeinen af. Toen het grootste deel van de colonne tot in een diepe vallei was afgedaald, kwamen zij plots van beide kanten tevoorschijn en begonnen de achterhoede te bestoken en verhinderden de voorhoede te stijgen en op een voor ons ongunstig terrein bonden ze de strijd aan met ons.

Omdat hij niets op voorhand voorzien had was Titurius pas toen gejaagd en liep zenuwachtig heen en weer en stelde hij de cohorten op. Hij deed dit alles vreesachtig en zo dat alles hem leek tegen te zitten, hetgeen meestal diegenen overkomt die gedwonge nworden een besluit te nemen op het ogenblik van het handelen zelf. Maar omdat Cotta had gedacht dat dit op de reis zou gebeuren en om deze reden geen voorstander van het vertrek was, onttrok hij zich op geen enkel vlak aan het gemeenschappelijk welzijn en hij verrichtte vele taken, zowel in het bij de naam noemen als in het aansporen van de soldaten vervulde hij de taak van opperbevelhebber en in het gevecht die van de soldaat.

Omdat men wegens de lengte van de tros minder gemakkelijk alles persoonlijk kon nagaan en voorzien kon worden wat op elke plaats gedaan zou moeten worden, bevalen ze dat er verkondigd moest worden dat men de bagage moest achterlaten en een kring vormen. Hoewel deze strategie in een dergelijk geval geen kritiek verdient, viel het toch faliekant uit, want het deed zowel onze soldaten de hoop verliezen als de vijand strijdlustiger maken, omdat dit niet zonder de grootste vrees en wanhoop leek te gebeuren. Bovendien gebeurde het onvermijdelijke, namelijk dat de soldaten overal de veldtekens verlieten en dat ze zich haastten wat elk het dierbaarst was van de tros te vragen en weg te trekken zodat alles weergalmde van het geschreeuw en gejammer.

Maar het ontbrak de Galliërs niet aan een strategie. Want hun veldheren hadden langs heel de slaglinie laten afkondigen dat niemand zijn plaats mocht verlaten. De buit was van hen en wat de Romeinen ook zouden achterlaten, zou voor hen gereserveerd worden. Daarom moesten ze denken dat alles afhing van de overwinning. Alhoewel de onzen door hun veldheer en de Fortuin in de steek gelaten waren, stelden zij alle hoop op redding in de dapperheid en telkens als er een cohorte vooruitkwam, sneuvelde aan die kant een groot aantal vijanden. Maar toen Ambiorix dit opgemerkt had, liet hij afkondigen dat zij hun speren (van een grote afstand) uit de verte zouden gooien en niet dichterbij zouden komen en zouden weggaan van die plaats waar de Romeinen een aanval hadden gedaan: door de lichte bewapening en de dagelijkse oefening kon niets hen deren; als ze zich zouden terugtrekken naar de veldtekens moesten ze hen achtervolgen. Dit bevel volgden ze zeer zorgvuldig op. Telkens een of andere cohorte de kring verliet en een aanval ondernam, weken de vijanden zeer snel terug. Ondertussen moest die cohorte zich noodzakelijk blootgeven en langs de onbeschermde rechterflank werpspiezen incasseren. Toen ze begonnen terug te keren naar de plaats vanwaar ze weggegaan waren, werden ze omsingeld, zowel door diegenen die weggevlucht waren als door degenen die vlakbij stonden. Indien ze echter hun plaats wilden behouden, was er geen ruimte om hun moed te betonen en konden ze daar ze opeengedrongen stonden, de spiezen, door zo’n grote menigte geworpen, niet ontwijken.

Ondanks de vele ongemakken waarmee ze te kampen hadden en ondanks de vele wonden die ze hadden opgelopen, boden ze toch weerstand en ofschoon een groot deel van de dag verstreken was, want ze vochten van zonsopgang tot het achtste uur, deden ze niets dat hen onwaardig was. Van T. Balventius, een moedig en invloedrijk man, die het vorige jaar primipiel (eerste centurio) geweest was, werden de beide dijbenen door een werpspies doorboord. Q. Lucanius, van dezelfde rang, werd tijdens een zeer dapper gevecht gedood, terwijl hij zijn omsingelde zoon ter hulp kwam. De legaat L. Cotta werd op het ogenblik dat hij alle cohorten en gelederen aanspoorde, vlak in het gezicht gewond door een slingersteen.

Door deze gebeurtenissen was Q. Titurius zeer geschokt. Toen hij in de verte Ambiorix zijn mannen zag aanmoedigen, zond hij zijn tolk, Cn. Pompeius, naar hem met de vraag zichzelf en zijn soldaten te sparen. Toen hij werd aangesproken, antwoordde hij dat indien hij met hem wou spreken, dat kon en dat hij hoopte van de menigte de dingen te bekomen die tot het welzijn zouden bijdragen van de soldaten. Hemzelf zou evenwel geen strobreed in de weg gelegd worden. En daarop gaf hij zijn woord. Hij contacteerde de gewonde Cotta om, zo hij ermee instemde, de strijd op te geven, een einde te maken aan het gevecht en samen besprekingen te voeren met Ambiorix. Hij hoopte het behoud voor hemzelf en zijn soldaten te bekomen. Cotta weigerde naar de gewapende vijand te gaan en volhardde hierin.

Sabinus beval de krijgstribunen die hij op dat moment rond zich had en de centuriones van de eerste gelederen hem te volgen en, toen hij Ambiorix nogal dicht genaderd was en hem was opgedragen de wapens neer te leggen, voerde hij dit bevel uit en gelastte de zijnen hetzelfde te doen. Ondertussen, terwijl ze onderlinge besprekingen hielden over de voorwaarden en Ambiorix opzettelijk het gesprek had gerokken, werd hij geleidelijk omsingeld en gedood. Toen kraaiden zij echter, naar hun gewoonte, victorie en hieven het overwinningsgehuil aan en, nadat ze een aanval tegen ons hadden ondernomen, raakten de gelederen in paniek. Daar werd L. Cotta al vechtend gedood samen met een groot gedeelte van de soldaten.

De overigen trokken zich terug in het kamp van waaruit ze waren gekomen. Toen daarvan de vaandrig, L. Petrosidius, in het nauw gedreven werd, wierp hij de adelaar over de wallen en sneuvelde hij dapper vechtend voor het kamp. Ze hielden de strijd amper uit tot de nacht; 's nachts pleegden allen, de wanhoop nabij, zelfmoord. Enkelen die ontsnapt waren aan de strijd bereikten langs onzekere wegen doorheen de bossen het winterkamp van legaat T. Labienus en brachten hem verslag uit over het gebeurde.

In de wolken door deze overwinning, vertrok Ambiorix onmiddellijk met zijn ruiterij naar de Atuatuci, die een buurvolk waren van hem; hij onderbrak dag noch nacht en beval de infanterie hem op de voet te volgen. Toen hij dit had aangetoond, kwam hij ‘s anderendaags in het gebied van de Nerviërs. Hij spoorde hen aan de gelegenheid niet te verzuimen, zich voorgoed te bevrijden en zich te wreken op de Romeinen voor het onrecht dat ze verdragen hadden. Hij verklaarde dat de twee legaten waren omgekomen. Het was een koud kunstje het legioen, datonder leiding van Cicero overwinterde, in geval er plots werd aangevallen, om te brengen. Hij zegde dienaangaande zijn hulp toe.

Omdat Gallië rustig was vertrok Caesar, zoals hij beslist had, naar Italië om rechtspraak te houden. Daar vernam hij over de moord op P. Clodius, en op de hoogte gebracht van de senaatsverordening, om alle jongeren in Italia (Italië + Gallia Cisalpina) in te lijven, besliste hij om een lichting te houden in zijn hele provincie. Deze zaken werden snel naar Gallia Transalpina doorverteld. De Galliërs voegden er zelfs nog wat aan toe en verzonnen er nog bij wat de toestand scheen te vereisen, namelijk dat Caesar wegens de toestand in Rome werd opgehouden en dat hij in zulke moeilijkheden niet bij zijn leger kon geraken.

Aangezet door deze gelegenheid, begonnen zij die voordien al niet konden verdragen dat ze aan het Romeinse gezag werden onderworpen, wat vrijer en stoutmoediger plannen te smeden om een oorlog te beginnen. De leiders van Gallië belegden onder elkaar op donkere en afgelegen plaatsen vergaderingen en ze klaagden over de dood van Acco; ze toonden aan dat dit ook henzelf kon overkomen. Ze klaagden over de toestand van heel Gallië; met allerhande beloftes en beloningen vroegen ze dringend mannen die een oorlog zouden beginnen en met gevaar voor hun eigen leven Gallië de vrijheid zouden schenken. Vooral moest men, wanneer de clandestiene plannen zouden uitlekken, ervoor zorgen dat Caesar van zijn leger werd gescheiden. Dat was gemakkelijk, omdat de legioenen bij afwezigheid van de opperbevelhebber niet uit de winterkampen durfden te komen en omdat de bevelhebber zonder escorte niet tot bij zijn legioenen kon komen. En dat het tenslotte beter was op het slagveld gedood te worden dan de oude oorlogsglorie en vrijheid, die ze van de voorouders hadden gekregen, niet terug te winnen.

Nadat deze zaken besproken waren, verkondigden de Carnutes dat ze geen enkel gevaar uit de weg zouden gaan omwille van het algemene welzijn, en dat ze beloofden om als eersten van allen een begin te maken met de oorlog. En aangezien ze geen waarborg door gijzelaars konden geven in de huidige omstandigheden, opdat de zaak niet zou uitlekken, vroegen ze wel met eden en gegeven woord te bekrachtigen, bij de bijeengebrachte militaire tekens, wat de gewoonte was bij het vieren van zeer ernstige ceremonieën, opdat ze niet door anderen, wanneer er een begin met de oorlog was gemaakt, in de steek zouden gelaten worden. Nadat iedereen de Carnutes had geprezen; werd door ieder die aanwezig was de eed gezworen en nadat er een tijdstip voor die zaak was gevestigd, ging men uit de vergadering weg.

Toen deze dag gekomen was, liepen ze, onder leiding van Gutruatus en Conconnetodumnus, twee desperado's, na het geven van het teken storm op Cenabum en ze vermoordden de Romeinse burgers en ontroofden hun goederen. De Romeinse burgers die zich daar omwille van de handel hadden gevestigd. Onder hen was er C. Fufius Cita, een Romeins ridder, die op bevel van Caesar aan het hoofd stond van de voedselvoorziening. Het gerucht werd snel doorverteld naar alle stammen van Gallië, want wanneer er iets groots en illuster voorvalt, geven ze dat met geroep over akkers en gebieden te kennen; daarna vangen anderen dit op en zeggen het door aan hun buren, zoals het toen gebeurde. Want de zaken die in Cenabum bij zonsopgang gebeurd waren, zijn nog voor het einde van de eerste nachtwake op het grondgebied van de Averni, wat toch een afstand van 160 mijl (= 288 km) betekent, gehoord.

Nadat zijn cliëntes bijeengeroepen waren, jutte Vercingetorix hen op dezelfde wijze op. Hij was de zoon van Celtillus, een Averniër, een zeer machtige jongeman, wiens vader het leiderschap over heel Gallië had verworven en om die reden, namelijk omdat hij het koningschap nastreefde, door de gemeenschap omgebracht is. Op de hoogte van dit plan, liep men tegen hem te wapen. Het werd hem verboden door Gobbanitio, zijn oom en de overige vooraanstaanden die meenden dat ze zulk een risico niet mochten lopen. Hij werd verdreven uit Gergovia, maar hij gaf toch niet op en hield op het platteland een lichting van armoedzaaiers en verschoppelingen. Na het ronselen van die bende overhaalde hij ieder uit zijn gemeente naar wie hij ging tot zijn mening. Hij spoorde hen aan om de wapens op te nemen omwille van de gemeenschappelijke vrijheid, en nadat hij de grote troepen had bijeengebracht, verdreef hij zijn tegenstanders, door wie hij slechts even voordien was buitengegooid, uit de gemeenschap. Hij werd door zijn soldaten koning genoemd. Hij zond gezantschappen naar iedere stam en bezwoer hen om trouw te blijven. Snel voegde hij de Senones, de Parisii, de Pictones, de Cadurci, de Turoni, de Aulerci, de Lemovices, de Andes en de overige stammen die aan de oceaan wonen toe; met ieders toestemming werd hem het oppergezag aangeboden.

Nadat hij die macht verworven had, eiste hij van al deze stammen gijzelaars en hij beval een zeker aantal soldaten snel naar hem te brengen. Hij bepaalde hoeveel wapens elke stam in hun eigen land moest maken en voor welke tijd dit moest gebeurd zijn. Maar hij was vooral geïnteresseerd in de ruiterij. Hij bouwde met zeer grote ijver en met strenge hand zijn macht op. Door de grootte van zijn folteringen dwong hij de twijfelaars. Want voor het begaan van een vrij ernstige misdaad stond de brandstapel en vele folteringen te wachten. Voor een minder erge misdaad werden de oren afgesneden, of nog leuker, werden de ogen uitgelepeld en dan naar huis gestuurd om een voorbeeld voor de anderen te zijn en hen te doen schrikken van de grootte van de straf.

Nadat Vercingetorix vanuit de citadel van Alesia zijn landgenoten opgemerkt had, ging hij uit de stad. Hij haalde de tenen horden, de staken, de sikkels en de overige dingen die voor de uitval gemaakt waren, te voorschijn. Op een ogenblik streed men op alle plaatsen, en ze vielen alles aan; men liep daarheen te hoop, naar die plaats die het minst verdedigd scheen. De Romeinse troepen werden door zo'n grote verschansingswerken uit mekaar gehouden en konden niet gemakkelijk naar zoveel plaatsen tegelijk toelopen. Het krijgsgehuil dat achter de rug van de strijdenden ontstond, werd veel luider om onze soldaten de stuipen op het lijf te jagen, omdat ze inzagen dat hun gevaar afhing van de dapperheid van de ander; alles wat immers buiten bereik ligt, brengt meestal de (geesten van de) mensen nogal heftig in de war.

Nadat Caesar de geschikte plaats verworven had, kwam hij te weten op elke plaats gaande was en hij zond degenen die in moeilijkheden waren hulp. Het kwam bij beide groepen op in de geest dat dit bij uitstek het moment was om zich maximaal in te spannen; de Galliërs wanhoopten om het algemene welzijn, tenzij ze de verschansingswerken zouden kunnen doorbreken, en de Romeinen verwachtten het einde van al die zware werken, als ze de slag zouden winnen. Men had het uiterst moeilijk bij de verschansingswerken van de Mont Rea, waarheen Vercassivellaunus gestuurd was, zoals we hebben aangetoond. De ongelijke helling van die plaats was van groot belang. Sommigen gooiden projectielen, anderen kwamen dichterbij in schildpadformatie; men loste de afgematte soldaten door de frisse soldaten af. Het materiaal, dat door al die mannen in de verschansingswerken gegooid waren, gaf zowel de Galliërs de mogelijkheid tot beklimming (van de Romeinse wal), als de mogelijkheid van het bedekken van alles wat door de Romeinenin de grond verborgen was; en voor onze mannen volstonden de wapens en de krachten niet meer.

Onze soldaten wierpen hun werpspiezen weg en streden verder met hun zwaarden. Plots bemerkte en de ruiterij in de rug; andere cohorten naderden. De vijanden keerden zich om en de ruiters liepen de vluchtenden tegemoet. Het werd een ware slachtpartij. Sedullus, opperbevelhebber en leider van de Lemovices werd gedood; Vercassivellaunus Avernus werd levend in de vlucht gevangen; de vierenzeventig militaire tekens werden naar Caesar teruggebracht; terwijl maar weinigen uit de grote groep ongedeerden zich in het kamp terugtrokken. Nadat ze vanuit de stad de slachting en de vlucht van hun landgenoten bemerkt hadden, wanhopig om de redding, leidden ze de troepen terug van de verschansingswerken. Nadat ze dit vernomen hadden, vluchtten de Galliërs dadelijk uit het kamp. En als onze soldaten niet afgemat waren door hun talrijke ondersteuningsoperaties en door het zware werk van heel de dag, hadden alle troepen verslagen kunnen worden door de vijand. Omstreeks middernacht vervolgt de gezonden ruiterij de achterhoede; een grote groep werd gevangen en vermoord, de overigen verdwenen in de vlucht als nevel en mist.

De volgende dag riep Vercingetorix een vergadering bijeen en verklaarde dat hij die oorlog niet voor eigen profijt maar voor de algemene vrijheid was gestart en aangezien men moet wijken voor het lot, bood hij zich voor beide zaken aan, hetzij de Romeinen voldoen met zijn dood, hetzij dat ze hem levend willen uitleveren. Voor deze zaken werden gezanten naar Caesar gezonden. Hij beval de wapens over te leveren, en de leiders naar voren te brengen. Zelf ging hij voor de verschansingswerken voor het kamp staan; de leiders werden daarheen geleid. Vercingetorix werd overgeleverd, en de wapens werden op een hoop geworpen. Hij liet Haedui en de Averniërs ongeschonden, om te beproeven of ze door toedoen van hen de stammen konden terugwinnen. Hij verdeelde van de overige gevangenen voor het hele leger elk hoofd met de waarde van buit.

© nizrab .::. laatste update 2017-06-28