Bronnen van de Antwerpse geschiedenis

Boek: Antwerpen: van Romeins veer tot wereldhaven

Hieronder staat het overzicht van alle gebruikte citaten uit deze bron. Om meer te weten te komen over de andere bronnen voor één gebeurtenis, kan je op de naam naast het blauwe icoon klikken.

Auteur: Jan Van Acker

Uitgeverij: Mercurius

Citaten

circa -9000

Een onlangs opgesteld en zeer volledig repertorium van oudheidkundige vondsten in de provincie Antwerpen, vermeldt een grote hoeveelheid materiaal, dat behoort tot een honderdtal vondstcomplexen in de stad zelf opgediept. Weliswaar is er veel bij dat door onoordeelkundig opgraven waardeloos is geworden, toch zijn er van die 102 vondsten een veertigtal die tamelijk juist gesitueerd werden. We leren eruit dat Antwerpen reeds bewoond was tijdens het neolithisch tijdperk. Een onderlinge vergelijking van het aantal vondsten toont ons heel wat bewoningssporen zowel uit deze tijd als uit de bronstijd, de ijzertijd en de Romeinse tijd, maar bijna geen uit de Merovingische tijd.

circa -3000

Een onderlinge vergelijking van het aantal vondsten toont ons heel wat bewoningssporen zowel uit het neolithisch tijdperk als uit de bronstijd, de ijzertijd en de Romeinse tijd, maar bijna geen uit de Merovingische tijd.

Op 30 vondstcomplexen uit het neolithicum kent men van 16 de juiste vindplaats in de stad; 5 ervan liggen in de oude burcht. Voor het bronstijdperk zijn deze cijfers respectievelijk 14, 6 en 1. Voor de ijzertijd 13, 6 en 2.

na 140

Die feiten worden eveneens bevestigd door de jongste opgravingen die in Antwerpen verricht werden. Deze hebben onomstotelijk bewezen dat er een Romeinse nederzetting bestaan heeft nabij het Steen, in de buurt van het verdwenen "Bezaanhuis". De opgedolven Romeinse overblijfselen omvatten een grote hoeveelheid gewoon aardewerk, evenals versierde terra sigillata, dus met het zegel van de pottenbakker voorzien aardewerk, uit de periode van 140 tot 275 na Chr.

In menig opzicht zijn die aardewerkvondsten belangrijk. Vooreerst ligt die Romeinse laag op de ongerepte moerbodem, hetgeen dus prehistorische vondsten op deze plaats uitsluit. Bovendien duidt het getal der gevonden scherven op een niet onaanzienlijke bevolkingsgroep. Op deze betrekkelijk kleine onderzochte oppervlakte haalde men circa 2400 Gallo-Romeinse scherven naar boven, waarvan 595 definieerbare, die toelaten ze te dateren.

Enkele Antwerpse stukken stammen uit de eerste eeuw, maar het gaat hier waarschijnlijk om familiestukken die lang met zorg werden bewaard. De meeste andere, te situeren tussen de jaren 100 en 250, wijzen op een vrij armelijke, eenvoudige bevolking, die geen luxevoorwerpen kon kopen. Het gaat om eerder gewoon, grof materiaal voor dagelijks gebruik, meestal kookpotten en ook wrijfschalen die dienden om grof gemalen meel verder fijn te wrijven.

Slechts een 25-tal scherven, nauwelijks één procent dus, behoorden tot het inheemse vaatwerk. Verreweg het grootste deel was importgoed van Oost-Gallisch fabrikaat. Trier en Rheinzabern waren bekende fabrieken - om in de taal der vakgeleerden te blijven - van terra sigillata. Die vondsten wijzen dus op betrekkingen met Rijn- en Moezelstreek. De handel in deze waar geschiedde misschien door Friezen die de Rijn afvoeren en over de Fossa Corbulonis de Maas en de Oosterschelde opvoeren, maar ook handelsbetrekkingen over de landwegen mogen a priori niet uitgeschakeld worden.

De bestaansmiddelen van de mensen van deze nederzetting kunnen niet afgeleid worden uit de opgravingen. Resten van woningen werden niet gevonden, maar men moet ze wel in de buurt veronderstellen. Men haalde immers ook een honderdtal fragmenten van dakpannen en drie vierkante vloertegels naar boven, hetgeen eerder sterkere constructies doet vermoeden dan alleen maar huisjes van hout- en vlechtwerk. De nabijheid van de rivier suggereert natuurlijk visvangst en scheepvaart naast de opbrengst van wat schrale landbouw. Ook het bestaan van secundaire Romeinse wegen tussen Antwerpen en de kust enerzijds en de weg van Asse (verbonden met Bavai en Tongeren) over Rumst, Kontich langs het Antwerpse anderzijds, doet ons denken aan een overzetdienst, al of niet van overheidswege ingericht.

circa 641

In die laat-Merovingische nederzetting is het dat Sint-Elooi omstreeks 645 ten tonele verscheen. Met grote ijver streed hij er voor de bekering van de bevolking, hoewel schijnbaar met weinig succes.

circa 650

Een tiental jaren later is ook de H. Amandus in de buurt van de Schelde geweest en bezocht er een klein eiland. De auteur van de Vita Amandi, een gezel van de heilige die eveneens in de periode van 700 tot 730 schreef, heet dit eiland Chanelaus. Een volgende biograaf die honderd jaar later een leven van de heilige Amandus in dichtvorm pleegde, plaatst dit eiland, deze maal "Caloloo" geheten, in een voor de schippers gunstig gelegen bocht. Vandaag ziet men in dat "Chanelaus-Caloloo" het dorp Kallo, dat later trouwens van de Sint-Pietersabdij te Gent afhing.

circa 695

De heilige Willibrord, de bekende missiebisschop, zou Antwerpen tot het middelpunt gekozen hebben van zijn actie tot bekering der Friezen, en dit nadat hij van een rijk man Rohingus en van zijn echtgenote een kerk in Antwerpen had gekregen, samen met haar afhankelijkheden en domeinen. Tot hiertoe is dit nog geloofwaardig. Het zou ons leren dat er toen reeds een kerk bestond waar Sint-Elooi vijftig jaar vroeger nochtans geen geluk gekend had bij zijn poging tot kerstening.

Een eerste opmerking echter - en er zullen er wel vele te maken zijn - is dat we geen originele stukken bezitten van deze gift. Wel hebben we van de schenking een ongedateerd regest, een soort korte inhoud van een eerste schenkingsoorkonde, welke door de tweede biograaf van de H. Willibrordus, de monnik Thiofried, ingelast werd in zijn Vita Willibrordi. Op diezelfde oorkonde zinspeelt in 1191 een andere monnik van diezelfde abdij, namelijk Diederik, auteur van het Liber Aureus.

Wat echter meer verwondering baart is het feit dat geen enkele der vroegere auteurs gewag gemaakt heeft van die Antwerpse episodes van de heilige bisschop. Zo hebben we eerst Beda, die een tiental passages wijdt aan zijn tijdgenoot Willibrord, en er niets over zegt. Ook Alkwin, de eerste biograaf, die circa vijftig jaar na de dood van Sint-Willibrord eerst een vita in proza en nadien een andere in dichtvorm maakte, gewaagt er met geen woord van. Dan is er nog een derde biograaf van de heilige, die zich evenmin uitgelaten heeft over deze Antwerpse geschiedenis. Dit alles vormt wederom geen bewijs tegen de echtheid van die oorkonden, hoewel het toch te denken geeft.

Wanneer we nu eindelijk de inhoud van die teksten bekijken, worden we vooral schichtig door de vele bijzonderheden waarmee men ons wil overtuigen. Zo staat in het ongedateerde regest, ons door Thiofried meegedeeld, dat Rohingus en zijn vrouw aan de H. Willibrordus een kerk schonken in de burcht (castellum) van Antwerpen, gelegen aan de Schelde, in de "pagus Renensium", een kerk dus met haar afhankelijkheden en villae en het derde deel van de tol van die burcht, die nu een marke van het Rijk is.

De zin: die nu een marke van het Rijk is, kunnen we nog buiten beschouwing laten. Immers het woordje "nu" kan betekenen dat Thiofried toegeeft dat die plaatsbepaling van hemzelf komt. Ook de vermelding: in pago Renensium, in het land van Rien, kunnen we nog door de vingers zien. De uitdrukking moet toch eens voor de eerste keer gebruikt worden, al lijkt dit een slordige paar eeuwen te vroeg. Maar dat derde deel van de tol is een onmogelijkheid, in zover men die vermelding voor een latere interpolatie houdt. Zo zouden we dan evengoed "in de burcht" voor een latere interpolatie kunnen aanzien, want van een burcht in Antwerpen vóór de aanval der Noormannen zal wel geen sprake geweest zijn.

circa 700

Bij een eerste kennismaking met de geschiedenis van Antwerpen is het wellicht het gepaste ogenblik om even uit te weiden over de ouderdom en de betekenis van de naam Antwerpen. De eerste vermelding ervan vinden we in een tekst uit het begin van de achtste eeuw, die handelt over gebeurtenissen omstreeks het jaar 645. Toen schreef men "Andouerpenses" en "Andouerpis". In diezelfde tijd komt ook de schrijfwijze "Anderpus" voor op een Merovingische gouden triens uit het einde van de zevende eeuw.

Een Merovingisch Antwerpen heeft zeker bestaan in de zevende eeuw. De naam werd gebruikt om de nederzetting aan te duiden. De bevolking was voldoende talrijk opdat Sint-Elooi de kerstening ervan zou proberen te ondernemen. Economisch had die agglomeratie genoeg betekenis opdat de Merovingische koningen er één van hun achthonderd muntateliers zouden vestigen. Stilaan werd dit centrum rijk genoeg opdat de Noren het later zouden plunderen en vernietigen, een feit dat aan de toenmalige geschiedschrijving niet ontsnapte, wat ook reeds wijst op een zekere bekendheid van deze plaats. Alleen is niet bekend waar deze Merovingische Antwerpenaren precies huisden. In de buurt van het Steen, de oude burcht, die we gewoonlijk als het oudste stadsgedeelte aanzien, werd geen enkel spoor van Merovingische bewoning aangetroffen.

De vondst van een gouden triens van Theudegislus uit de zevende eeuw, en het bestaan van een muntatelier te Antwerpen zelf in de achtste eeuw, tonen reeds genoeg aan dat er een Merovingische nederzetting van enige economische betekenis heeft bestaan. Misschien kan deze oude nederzetting gezocht worden in het stadsgedeelte gelegen tussen de burcht en de vroegere Sint-Michielskerk. Het feit immers dat de meeste vindplaatsen van Romeinse voorwerpen aangetroffen werden nabij de oude Sint-Michielsabdij, in de Kronenburgstraat, Nationale straat, Lombaardvest, Gildekamerstraat, Bergstraat en Steenbergstraat, laat vermoeden dat in die buurt de Romeinse bewoning moet gezocht worden. Toen dan na de overstroming van de Duinkerke II transgressie dit hoger liggend gebied drooggekomen was, werd het al vlug opnieuw bezet door schippers en handelaars. De enige Merovingische vondst die we precies kunnen situeren ligt trouwens ook al in die omtrek. Hierboven werd reeds gewezen op de mogelijkheid dat in de achtste eeuw of negende eeuw reeds een Michielskerk werd opgericht, waar een eeuw vroeger Sint-Elooi reeds had gearbeid.

Dan is er nog de derde tekst, het zogeheten testament van de H. Willibrordus, doch die in de grond een schenkingsakte is waardoor de heilige aan de abdij van Echternach een deel van zijn bezittingen overmaakt. Voor Antwerpen is alleen van belang de schenking van de kerk in de burcht, met een derde van de tol van de burcht, en ook de afhankelijkheden van die kerk: Bacwaldus, Winnelinchennon en Furgelarus. Het spreekt vanzelf dat er een flinke speurtocht is ondernomen om al die Merovingische plaatsnamen te kunnen terugvinden en situeren.

Voor Bacwalde dacht men eerst aan Boechout, later aan Weelde, tot nu ook aan Hilvarenbeek gedacht werd. Furgelarus werd met Rijkevorsel, voorheen Vorsele, vereenzelvigd. Voor Winlindechin werd eerst aan Wijnegem gedacht, later aan Wommelgem. Voor Sprusdare op de Huita (dat ook Hnita kan gelezen worden) ging men langs de Neteboorden zoeken en de keuze viel op Viersel.

Hoe kwam men nu tot die identifikaties? Etymologisch lijkt geen enkele verantwoord. Ook de archeologie biedt geen enkel gegeven. Dan maar de folklore onder de arm genomen, van alle hulpwetenschappen van de geschiedenis wel de allerzwakste. Al die dorpen bezaten immers ofwel een kerk waar de H. Willibrordus als patroon bekend stond, ofwel ergens een perceel land of een beek die naar de heilige genoemd was, ofwel een Willibrordusputje waar volgens de traditie de heilige zou gedoopt hebben. Allemaal betrekkelijk jonge relicten waaraan men een zeker belang niet kan ontzeggen, maar die uiteindelijk toch geen overtuigende geschiedkundige bronnen zijn.

Economisch had die agglomeratie genoeg betekenis opdat de Merovingische koningen er één van hun achthonderd muntateliers zouden vestigen. Stilaan werd dit centrum rijk genoeg opdat de Noren het later zouden plunderen en vernietigen, een feit dat aan de toenmalige geschiedschrijving niet ontsnapte, wat ook reeds wijst op een zekere bekendheid van deze plaats.

In 837 vonden de Noormannen deze plaats voldoende belangrijk om er halt te houden en ze in brand te steken na plundering.

na 836

Onlangs werden een reeks opgravingen verricht onder het huidige Steen, en onder afdak nummer 22, die heel wat licht werpen op onze oudste geschiedenis. Nu staat het vast dat een eerste versterking terug te voeren is tot de tijd die onmiddellijk op die Noormanneninval volgt. Men vond er immers een elf meter brede en waarschijnlijk zes meter hoge aarden wal, waarvan het grondvlak vier en een halve meter onder het huidig straatniveau ligt. Die aarden wal liep halfcirkelvormig van het huidig Steen in de richting van het Vleeshuis en zo verder binnen de Burchtgracht terug naar de Schelde. Die aarden omheining bevat aan de basis onder meer oud Pingsdorfaardewerk, dat toelaat haar te dateren omstreeks het midden van de negende eeuw. Dergelijke aarden versterkingen werden dikwijls opgericht tegen de Noormannen, vooral in het nabije graafschap Vlaanderen. Niets belet ons aan te nemen dat ook hier een dergelijk werk ondernomen werd tussen 837, het jaar van de verwoesting door de Noren, en 879, toen de grote aanval dreigde, maar aan Antwerpen voorbijging.

Binnen die Karolingische burcht bevond zich een straatvormig gegroepeerde nederzetting. Langs tenminste één straat, noord-zuid gericht, waarvan een deel later de Mattestraat zal heten, vond men sporen van oude bewoning, en wel drie boven elkaar liggende woonvlakken bovenop een laag met Gallo-Romeins aardewerk. Dit laatste wettigt de veronderstelling dat men, om een drogere bodem te verkrijgen, puin van een Romeins bouwwerk uit de buurt heeft aangevoerd. Het onderste, dus oudste, woonvlak vertoont gebouwen uit dezelfde tijd als de eerste aarden omheiningswal. Dit staat vast door de aanwezigheid van hetzelfde typische oud Pingsdorfaardewerk.

In 837 vonden de Noormannen deze plaats voldoende belangrijk om er halt te houden en ze in brand te steken na plundering. De kleine bevolking is dan koppig opnieuw begonnen op een noordelijker gelegen plaats, na eerst voor een stevige omwalling te hebben gezorgd, en voor een ophoging met een laag aarde met Romeins aardewerk. Met wat ze uit de ramp hadden gered, huidplanken van een schip en stukken dakgebinte, begonnen ze aan de constructie van hun nieuwe huisjes.

Reeds de oorspronkelijke vluchtburg, die in de negende eeuw opgericht werd tegen de Noormannen, was met een aarden wal versterkt, zoals uit de jongste opgravingen blijkt. Het zal wel nooit te bewijzen zijn of de in 804 eveneens tegen de Noormannen opgerichte versterking van Haithabu als voorbeeld gediend heeft voor Antwerpen. Deze Deense handelsplaats, aan de Schlie gelegen, werd in het begin van de negende eeuw bezocht door kooplui uit Zweden en Noorwegen, uit Londen, uit Dorestad, en zelfs uit Arabië. Niet alleen de richting van de twee enige straten die met de Matte- en Zakstraat te vergelijken zijn, ook de vorm van de aarden omwalling als een boog waarvan de Schlie - in Antwerpen de Schelde - de boogpees vormt, doet ons de vraag stellen of reizende handelaars dit grondplan niet hebben meegebracht.

Die aarden omheining bevat aan de basis onder meer oud Pingsdorfaardewerk, dat toelaat haar te dateren omstreeks het midden van de negende eeuw. Dergelijke aarden versterkingen werden dikwijls opgericht tegen de Noormannen, vooral in het nabije graafschap Vlaanderen. Niets belet ons aan te nemen dat ook hier een dergelijk werk ondernomen werd tussen 837, het jaar van de verwoesting door de Noren, en 879, toen de grote aanval dreigde, maar aan Antwerpen voorbijging.

Al weten we weinig over de oudste kerken van onze stad, toch kennen we de namen van een paar Antwerpse christenen uit de tiende en begin elfde eeuw. De eerste heette Gontso en woonde in 941 in de handelsplaats Antwerpen. Hij moest, als lid van de familie Sancti Petri, op Sint-Maartensdag, twee denieren betalen aan de Gentse Sint-Pietersabdij.

Omdat het hier juist zo veilig was is men er van elders naartoe gevlucht. Zo ook Gontso, die behoorde tot de familia, dus tot het personeel, van de Sint-Baafsabdij, en die in 880 uit Gent was weggevlucht naar de Vicus Annuerpis. In 941 werd bij zijn naam de vermelding "mortuus" gevoegd.

Zijn vader, Godfried de Gevangene, graaf van Verdun en markgraaf van Ename, huwde Mathildis, de weduwe van de op 1 januari 962 gestorven graaf Boudewijn III van Vlaanderen. Hieruit volgt dat Gothelo en Arnulf I van Vlaanderen halfbroers waren.

circa 970

Geboren in een van de jaren die volgen op 962 kan hij zeker 25 jaar geweest zijn in 995.

Die aarden omheining vertoont sporen van een tweevoudige versteviging of herstelling van vóór 1200 - 1225, toen alles door de eerste stenen versterking werd vervangen. Die verstevigingen bestonden denkelijk in een verhoging van de aarden wal, in het aanbrengen van een houten paalwerk en het graven van een brede burchtgracht. Misschien werd een eerste maal de doelmatigheid van de versterking verhoogd in de periode 976 - 1000, toen Antwerpen tot markgraafschap werd georganiseerd.

We menen nochtans te kunnen aantonen dat Ansfried II voor zijn keizer de mark Antwerpen heeft georganizeerd en de burchtverdediging opnieuw op punt gezet, en dit alles nog vóór hij bisschop van Utrecht zal worden.

Onder Otto II (973-983) immers, en onder de impuls van bisschop Notker van Luik, zouden drie versterkte zones, drie markgraafschappen, worden opgericht langsheen de Scheldegrens, gericht zowel tegen Frankrijk en tegen het machtig wordende graafschap Vlaanderen als tegen de Lotharingse graven die al te zelfstandig wilden worden. Voor twee van die marken, Ename en Valencijn, neemt men als oprichtingsdatum aan de periode omstreeks 973. De stichting van de mark Antwerpen plaatst men daarentegen, doch zonder bewijsvoering, een 25-tal jaren verder. Nochtans telt het argument van de vacatuur in het hertogdom Lotharingen van 965 tot 977, waarvan o.m. gebruik gemaakt wordt om de oprichting van de marken Ename en Valencijn te dateren ook voor Antwerpen. Bovendien was, zoals hiervoor werd aangetoond, keizer Otto II in die periode zeer bedrijvig in het Gentse en in het Land van Waas, gezien de crisis voor het grafelijk gezag aldaar tussen 965 en 993. Het kan slechts alleen in die jaren mogelijk geweest zijn het oostelijk deel van het Waasland bij de dorpen te voegen die verplicht waren mee te werken aan de burcht, en dit laatste houdt natuurlijk verband met de inrichting van het markgraafschap.

Niet alleen delen van het Waasland en van Taxandrië werden toen bij de oude Riengouw gevoegd om het markgraafschap Antwerpen te vormen. Ook gebieden ten zuiden van de Dijle, dus in Brabant, werden bij de "opus castrensis" gevoegd en dus bij ons markgraafschap. Het treft nu dat we een oorkonde bezitten van Ansfried, als bisschop, waarin hij omstreeks 1007 goederen schenkt aan zijn bisdom Utrecht. Die goederen nu liggen deels in Taxandrië-Rien, namelijk Olen, Bouwel en Westerlo, en deels in Brabant-Rien, te weten (Boort-) Meerbeek en Hombeek. Van al die patrimoniale goederen zegt Ansfried dat hij er eertijds bestuursmacht heeft gehad, en dat ze liggen "infra comitatum Rien", dit is in het graafschap Rien, door de keizer in 1008 graafschap Antwerpen geheten.

Welnu, wanneer hij in Hombeek en Meerbeek bestuursmachten heeft uitgeoefend, is dit geweest vóór hij bisschop werd in 995, en is de balfaart er vóór die tijd ingericht, en is dus het markgraafschap vóór die tijd, wellicht ook in 973, te plaatsen. In dezelfde richting wijst ook het feit dat de tweede bouwperiode in de burcht ongeveer gelijk moet vallen met de bouw van de burcht van Ename, wegens dezelfde keramische begeleiding. Als laatste aanwijzing heeft men ook nog de vermelding van Antwerpen als castrum in 980 door bisschop Notker. Deze was ongetwijfeld op de hoogte van de reorganisatie van de Antwerpse burcht en zal wel niet de negende eeuwse vluchtburg bedoeld hebben, maar naar alle waarschijnlijkheid die van 973.

[...] Meer dan een volle eeuw later, namelijk in de periode 973-980, werden de versterkingen opnieuw bijgewerkt. We weten immers van een terreinverhoging binnen de burcht, vermoedelijk gepaard aan een verhoging van de burchtwal. Misschien werd ook paalwerk aangebracht boven op de wal. Toen kan eveneens een gracht gegraven zijn vóór de omwalling, of een vorige dieper gemaakt. Waarschijnlijk werd ook een glacis of worp aangebracht buiten de burchtgracht, zoniet werd een reeds bestaande worp op nieuwe hoogte gebracht, zoals de walverhoging het vereiste. Van dit glacis zijn nog goed de sporen merkbaar in de percelenlijn op het plan van 1883 door Truyman getekend.

Binnen de burcht zal na de terreinverhoging een nieuw houten huis, wellicht groter dan voorheen, voor de markgraaf zijn opgetrokken. Ook de bijgebouwen zullen groter uitgevallen zijn, zoals een spijker voor de kerktienden die we in handen weten van de markgraaf. Dit gebouw kan dan dienen als voorraadschuur in tijden van beleg.

In de onmiddellijke buurt kan men eveneens het huis van de villicus zoeken, de plaatsvervanger van de markgraaf die hier zelf maar weinig resideerde. Ook het munthuis moeten we zoeken binnen de wal, evenals, maar dan dichter bij de rivier, het tolhuis, waar later ook een kraan zal komen.

Zoals in alle burchten van die tijd werd er door de later bisschop geworden graaf Ansfried voorzeker een burchthofkerk gebouwd - de Sint-Walburgiskerk - met een huis of huizen voor de bedienaars ervan.

Een open plein tussen de grafelijke woning en de kerk diende waarschijnlijk als markt en vierschaar.

circa 980

Wanneer we rekening mogen houden met het feit dat Sint-Walburgis er de patrones van was, dan moeten we de stichting ervan in de tiende eeuw plaatsen. Niet om het verhaal dat wil dat deze heilige, op haar tocht van Engeland naar Duitsland omstreeks 750, in de krypte der burchtkerk te Antwerpen zou hebben verbleven, want ook met deze legende werd onlangs definitief afgerekend. Maar bij het stichten van een kerk komt ook iets kijken dat we zouden kunnen typeren als een modeverschijnsel.

Sint-Walburgis immers stierf in 779 als abdis in Heidenheim en toen haar gebeente in 870 naar Eichstadt werd overgebracht, wat uiteraard met mirakelen gepaard ging, begon haar grote verering als heilige. Karel de Eenvoudige proclameerde haar tot patrones van het Rijk. Van Eichstadt uit werd haar verering door handeldrijvende Friezen eerst naar Keulen en zo naar Groningen, Zutphen en Tiel overgebracht, en vandaar ging het over Antwerpen naar Oudenaarde en Veurne. In al die handelsnederzettingen aan rivieren zien we in de tiende eeuw Walburgiskerken ontstaan. De oudste, te Groningen, is van omstreeks 900. De jongste, te Oudenaarde, van vóór 1000.

In 980 schrijft bisschop Nodker van Luik een brief aan abt Womar van de Sint-Baafsabdij te Gent, waarin hij van een mirakel gewaagt dat gebeurd was in "Andouerpis castro".

Al weten we weinig over de oudste kerken van onze stad, toch kennen we de namen van een paar Antwerpse christenen uit de tiende en begin elfde eeuw. Bisschop Nodker van Luik had het in 980 over een persoon die in de burcht van Antwerpen krankzinnig werd maar genas dank zij de tussenkomst van de H. Landoaldus.

na 991

Naast de handel met het Duitse Rijngebied was er ook handel overzee met Londen. Ook nu hebben we al vroeg een officieel stuk uit de jaren 991-1002, het bekende toltarief van Londen onder Koning Ethelred. Hierin wordt Antwerpen niet vernoemd, maar wel Nijvel, Hoei en Luik. Welnu, op goede gronden mag aangenomen worden dat de handelaars van Nijvel hun waren over land naar Brussel, en vandaar met rivierschuiten naar Antwerpen brachten waar ze dan zeewaardige schepen vonden.

Dergelijke stukken verschijnen echter pas als de handel reeds een hele tijd aan de gang is en een speciale reglementering noodzakelijk wordt. Daarom moet ook hier reeds aan regelmatige handelsbetrekkingen lang voor die datum gedacht worden. Hier zien we dat de Antwerpse handelaars samen met die van Tiel, ingedeeld worden bij de onderdanen van de keizer, terwijl die van de Maassteden, en waarschijnlijk ook van de Brabantse steden Lotharingers worden geheten. Dit laat veronderstellen dat de Antwerpenaren als rechtstreekse onderdanen van de keizer beschouwd werden, dus vóór de vereniging met Brabant in 1106.

In de eerste plaats het afsterven op 10 mei van bisschop Boudewijn van Utrecht. Misschien was het op aanraden van bisschop Notker van Luik dat keizer Otto III het bisdom Utrecht aan graaf Ansfried aanbood, die op dat ogenblik aan het hof vertoefde. Deze nam het aanbod aan en liet zich wijden, en zoals hij voordien reeds het graafschap Hoei had afgestaan om het prinsbisdom Luik te versterken, gaf hij zijn graafschappen in West-Friesland aan de Utrechtse kerk, waardoor de Rijkskerk nu over een machtig bolwerk in het Noorden kon beschikken.

In datzelfde jaar, op 20 september, overleed in Kamerijk bisschop Rothard. Ook hier zal bisschop Notker van Luik op schitterende wijze het rijkskerkelijk regeringssysteem van aartsbisschop Bruno voortzetten door er, samen met de abdis Mathildis van Quedlinburg - een achternicht én van Otto III én van Ansfried - voor te zorgen dat zijn aartsdiaken Erlwin op de troon van Kamerijk werd gebracht.

Het afsterven immers van de rijksgetrouwe graaf van Verdun, Godfried de Gevangene, viel eveneens in 995 of kort erna. Ansfried heeft waarschijnlijk de mark Antwerpen afgestaan en de keizer heeft er een van de zoons van zijn trouwe Godfried mee beleend, namelijk Gothelo I.

Het is echter pas in 1008 dat we de eerste vermelding van Gothelo als graaf van Antwerpen aantreffen, in dezelfde oorkonde waarin de wildban in Waverland geschonken wordt aan een graaf Balderik die tevoren zijn wildrecht in Drente had moeten afstaan aan Utrecht. We staan dus voor een ruilakkoord, wederom helemaal in de geest van de ondertussen blind geworden bisschop Ansfried, te weten zich van zijn zuidelijke patrimoniale gebieden en rechten ontdoen tegen meer in het noorden gelegen bezittingen.

na 1008

Aan hem worden, volgens een latere Antwerpse traditie, de eerste bedijkingswerken toegeschreven. Onmogelijk is dit niet, aangezien ook in het naburige Vlaanderen en Zeeland de eerste dijkwerken uit het begin van de elfde eeuw dateren. Bovendien bewijst de vermelding in de jaren 1119-1124 van de polderdorpen Zandvliet, Lillo, Berendrecht en Oorderen, met hun kerken nog wel, dat het gebied rondom die noordelijke dorpen reeds enkele jaren vóór die data tegen overstroming beschermd was. We mogen dus gerust aannemen dat de dijken in de stad en haar onmiddellijke buurt, namelijk van Schijnbroek tot Lobroek, in een nog vroegere periode te plaatsen zijn. De Dijkgraaf en de Rekenaars van de Watermolenbrug, die jurisdictie voerden over dit polderland, waren vanouds met de burcht verbonden. Dit feit laat toe te veronderstellen dat het bedijken van dit gebied, mag toegeschreven worden aan de markgraaf. Trouwens wie anders kon in die tijdens over de machtige hefbomen van kapitaal en arbeidskrachten beschikken om dergelijke inpolderingswerken uit te voeren, tenzij de markgraaf zelf?

circa 1010

Al weten we weinig over de oudste kerken van onze stad, toch kennen we de namen van een paar Antwerpse christenen uit de tiende en begin elfde eeuw. Meinswindis is de naam van een meisje uit Antwerpen dat rond 1010 de gunst van de H. Bavo inriep en er baat bij vond. In dezelfde jaren ondernam een ander meisje een reis naar Sint-Truiden om er te genezen dank zij de tussenkomst van de H. Trudo.

circa 1010

Die aarden omheining vertoont sporen van een tweevoudige versteviging of herstelling van vóór 1200 - 1225, toen alles door de eerste stenen versterking werd vervangen. Die verstevigingen bestonden denkelijk in een verhoging van de aarden wal, in het aanbrengen van een houten paalwerk en het graven van een brede burchtgracht. Misschien werd een eerste maal de doelmatigheid van de versterking verhoogd in de periode 976 - 1000, toen Antwerpen tot markgraafschap werd georganiseerd. Ook omstreeks het midden van de elfde eeuw kan men het nodig hebben geacht de versterkingen opnieuw in paraatheid te brengen, toen het leger van de Vlaamse graaf de stad kwam bedreigen doch onverrichterzake moest terugtrekken.

Binnen die Karolingische burcht bevond zich een straatvormig gegroepeerde nederzetting. Langs tenminste één straat, noord-zuid gericht, waarvan een deel later de Mattestraat zal heten, vond men sporen van oude bewoning, en wel drie boven elkaar liggende woonvlakken. [...] Het onderste, dus oudste, woonvlak vertoont gebouwen uit dezelfde tijd als de eerste aarden omheiningswal. Dit staat vast door de aanwezigheid van hetzelfde typische oud Pingsdorfaardewerk. [...] De tweede bouwperiode moet gesitueerd worden omstreeks het jaar 1000, wegens het vinden van jongere vormen van Pingsdorfkeramiek, van gelijke aard als die welke tijdens opgravingen in het castrum van Ename werden bovengehaald.

na 1055

Velen van hen die, - misschien gedwongen - , de burcht verlieten, gingen zich vestigen rondom de burcht, waar ze weldra met de daar gevestigde landbouwbevolking en met de pas aankomenden van elders een nieuwe agglomeratie begonnen te vormen, die hoe langer hoe belangrijker werd en die op haar beurt om veiligheidsredenen ook met een watersingel omgeven werd. Deze omheiningsgracht liep langs de huidige Suikerrui, de zuidzijde van de Grote Markt, de Kaasrui, de Jesuïtenrui, de Minderbroedersrui en zo naar de Koolkaai. Deze handelsnederzetting, die we de Ruienstad kunnen noemen, had een oppervlakte van circa 19 ha en was dus achtmaal groter dan de 2,5 ha metende burcht. Enkele houten brugjes verbonden deze Ruienstad met het omliggende gebied. Men mag gerust aannemen dat deze vooruitgeschoven verdedigingslinie van het centrum, die tevens het aanpalende bevolkingscentrum tot bescherming strekte, eveneens voorzien was van een aarden omwalling aan de ene zijde en een glacis aan de andere zijde van deze ruiensingel.

na 1087

Dat onze Ruienbevolking over een kerk moest kunnen beschikken is duidelijk. Daar echter de Sint-Walburgiskerk dichter was dan de oudere Sint-Michielskerk, ging men liever naar de burchtkerk, misschien wel tot ongenoegen van de markgraaf die deze menigte liever buiten het burchtgebied wenste te houden. Wellicht was dit zelfs een van de motieven waarvan onze markgraaf Godfried van Bouillon is uitgegaan toen hij de kerktienden, welke hij van de keizer in leen hield, aan Sint-Michiels afstond, misschien onder beding van een nieuwe kerk op te richten met parochiale bevoegdheden ten behoeve van de Ruienbevolking.

Het toltarief van Koblenz vernoemt onze Antwerpse kooplieden, zonder evenwel duidelijk te maken of ze die stad per schip over de Rijn bereikten, ofwel, wat eveneens mogelijk is, over land. Dit toltarief kennen we uit een oorkonde van Keizer Hendrik IV van 1104. Nochtans is het al heel wat ouder, want er wordt van dit tarief gezegd dat het opgesteld werd volgens het oude recht (antiquo jure). Bovendien staan de Vlamingen erin aangeduid als komende uit het rijk van Boudewijn. De laatste graaf die Boudewijn heette stierf in 1070, zodat dit toltarief zeker vóór die tijd te plaatsen is.

Als regelmatige bezoekers van de markt worden de Vlamingen samen met de Antwerpenaren genoemd, naast de inwoners van de steden uit de Maasvallei als Hoei, Luik, Namen en Dinant, en ook van de steden uit het Noorden zoals Tiel, Utrecht en Deventer. Allen zijn twee maten wijn verschuldigd, maar daarbij moesten ze nog iets bijzonders geven, eigen aan hun streek, die van Hoei, Namen en Dinant bijvoorbeeld een koperen ketel, die van Luik, twee geitenvellen en twee schotels. Antwerpenaren en Vlamingen moesten, behalve de twee maten wijn, een schapenvacht als onderlegger voor een zadel en een kaas afgeven. Kan dit allicht enig licht werpen op de handelswaren die van hieruit meegenomen werden, dan vernemen we niets over de producten die in ruil hiervoor huiswaarts werden gevoerd.

circa 1115

De bovenste woonlaag is zeker ouder dan de twaalfde eeuw, aangezien ze op vele plaatsen doorsneden werd door de stenen fundaties van het Romaanse koor van de Sint-Walburgiskerk. Dit Romaanse koor in Doornikse steen, met de eerder indrukwekkende afmetingen van 8 bij 16 m, behoorde tot een kerkgebouw met waarschijnlijk drie beuken, te oordelen naar delen van fundaties door architect Truyman in 1882 opgenomen. Om allerlei bouwkundige kenmerken kan dit oost-west gerichte koor niet later dan uit de twaalfde eeuw gedateerd worden.

In tegenstelling met wat men zou verwachten had geen enkel van die houten gebouwen in die omgeving een sacraal karakter, zelfs niet het betrekkelijk grote gebouw van 7 bij 16 m onmiddellijk onder het Romaanse koor, aangezien een haard telkens aantoont dat ze tot woning hebben gediend. Nochtans zou het niet onmogelijk zijn dat een kleine oudere kerk in hout aan deze nogal grote stenen kerk was voorafgegaan. Inderdaad, zoals de latere gotische kerk van 1249 zich met meer dan één koorlengte verder oostwaarts uitstrekte over de Romaanse kerk der twaalfde eeuw, zo kan ook deze laatste verder oostwaarts uitgebreid zijn geweest, zodat we een eventuele vroegere kerk in hout meer Scheldewaarts, onder het schip der Romaanse kerk, moeten zoeken. Aangezien echter op die plaats het gehele terrein grondig omgewoeld werd tijdens de rechttrekking der Scheldekaaien in de vorige eeuw, is verder zoeken hopeloos geworden.

In ieder geval werd de Sint-Walburgiskerk reeds in 1114-1119 vernoemd in een stuk van de bisschop van Kamerijk als een capella afhangend van de Sint-Michielskerk, en niets uit die oorkonde laat toe te besluiten dat het om een pas gestichte kerk ging. Is die Romaanse kerk uit de twaalfde eeuw, dan was er zeker al een Walburgiskerk in de voorgaande eeuw. Hoe zou ze immers ineens zo rijk zijn geworden om zo maar aanstonds in Doornikse steen te worden opgetrokken? Wanneer we bovendien rekening mogen houden met het feit dat Sint-Walburgis er de patrones van was, dan moeten we de stichting ervan in de tiende eeuw plaatsen.

Deze kerk, de Onze-Lieve-Vrouwkerk, moet dateren van omstreeks 1100. Ze werd voor het eerst vermeld in 1124 in oorkonden van de bisschop van Kamerijk, onze bisschop. Dat die kerk toen al enkele jaren oud was kan men uit de tekst van die oorkonden afleiden.

We hebben bovendien nog een tweede toltarief van Londen, van 1125-1150, dat een soort reglement bevat voor vreemde handelaars. Dergelijke stukken verschijnen echter pas als de handel reeds een hele tijd aan de gang is en een speciale reglementering noodzakelijk wordt. Daarom moet ook hier reeds aan regelmatige handelsbetrekkingen lang voor die datum gedacht worden. Hier zien we dat de Antwerpse handelaars samen met die van Tiel, ingedeeld worden bij de onderdanen van de keizer, terwijl die van de Maassteden, en waarschijnlijk ook van de Brabantse steden Lotharingers worden geheten. Dit laat veronderstellen dat de Antwerpenaren als rechtstreekse onderdanen van de keizer beschouwd werden, dus vóór de vereniging met Brabant in 1106.

Het is alsof onze Antwerpse kooplieden een enigszins bevoorrechte behandeling genieten. Inderdaad, terwijl de Lotharingse handelaars evenals die uit Tiel en Bremen aan beperkingen onderworpen zijn betreffende hun logement, mogen de Antwerpenaren logeren waar ze willen. Ook worden ze slechts aan de wet van Londen onderworpen indien ze de brug van Londen overschrijden. Wat ze daar gaan kopen zal wel wol zijn, verpakt echter, aangezien vermeld wordt dat onverpakte wol niet mag gekocht worden. Wat ze komen verkopen is moeilijk te bepalen, daar geen onderscheid gemaakt wordt tussen het deel van de Antwerpenaren en dat van de overige handelaars uit het keizerrijk. Het gaat over peper, komijn, was en fustein, met telkens de minimumhoeveelheid waarin de koopwaar moest verkocht worden. Met andere woorden, de verkoop aan verbruikers is verboden, hetgeen herhaaldelijk in de tekst gezegd wordt; alleen met de Engelse, en bij voorkeur Londense groothandelaars, is handel toegelaten.