Bronnen van de Antwerpse geschiedenis

Boek: Antwerpen: biografie van een stad

Hieronder staat het overzicht van alle gebruikte citaten uit deze bron. Om meer te weten te komen over de andere bronnen voor één gebeurtenis, kan je op de naam naast het blauwe icoon klikken.

Auteur: Bert De MunckBruno BlondéInge BertelsTim Bisschops

Uitgeverij: De Bezige Bij

Citaten

circa -9000

Binnen het halvemaanvormige gebied dat vandaag door de negentiende-eeuwse Leien wordt omsloten, lagen ooit een aantal aaneengesloten droge stuifzandruggen die vijf tot tien meter boven het moerassige bekken van Schijn en Potvliet uitstaken. Deze heuvelruggen, waaraan toponiemen als Bloedberg, Koraalberg, Guldenberg en Kauwenberg nog herinneren, zijn bepalend geweest voor het ontstaan van Antwerpen langs de rechteroever van de Schelde en voor de morfologische ontwikkeling van de stad vanaf de Romeinse tijd tot diep in de zestiende eeuw.

Een eerste keten van vier onregelmatig gevormde zandruggen strekte zich ruwweg uit tussen de huidige Franklin Rooseveltplaats in het oosten en het Steen in het westen. Een tweede aaneenschakeling van hoogten lag langs de Schelde en moet gesitueerd worden tussen de gedempte Zuiderdokken en opnieuw het Steen. Waar de rivier de stuifzandruggen raakte, slibden de ruggen aan en erodeerden de depressies ertussen. Een geaccidenteerde oever was het resultaat. Een vijftal landtongen, waarvan de latere Werf ten noorden van het Steen de grootste was, werden afgewisseld door inhammen waarin op een al dan niet natuurlijke wijze de latere Sint-Pietersvliet, Koolvliet, Burchtgracht, Suikerrui en Sint-Jansvliet ontstonden. Het is denkbaar dat Andouerpis, zoals de nederzetting begin achtste eeuw genoemd wordt, aan de deels "aangeworpen" landtongen of aan de natuurlijke aanlegplaatsen haar naam ontleent. In elk geval maakte de combinatie van natuurlijke aanlegplaatsen en droog terrein de heuvels bij de Schelde tot bijzonder aantrekkelijke bewoningssites. Reeds in de steen- en bronstijd worden de Antwerpse stuifzandruggen bezocht.

na 140

De oudste sporen van permanente bewoning gaan echter terug tot de Romeinse tijd. Archeologische vondsten, ook deze uit de opgravingscampagne 2008-2009 in het burchtgebied, wijzen op het bestaan van een aanzienlijke meerkernige Gallo-Romeinse nederzetting, die zich in de tweede en derde eeuw moet hebben uitgestrekt over de hoge zandruggen nabij de Schelde. Een langdurig gebruikt grafveld van de Gallo-Romeinse vicus werd in het najaar van 2009 aangetroffen binnen het burchtgebied, en een industrieel centrum van de nederzetting bevond zich waarschijnlijk op de hoogte tussen de burchtzone en de Suikerrui.

circa 700

Bewoningssporen uit de tussenliggende Merovingische periode zijn vooralsnog niet gevonden, maar er zijn aanwijzingen dat een deel van de Romeinse nederzetting bleef voortbestaan op een zandrug langs de Schelde in de omgeving van de huidige Kloosterstraat. Waarschijnlijk stond daar ook de eerste Antwerpse kerk, gewijd aan de heiligen Petrus en Paulus, vermeld in 728, binnen of vlak bij een Merovingische versterking of castrum.

Het castrum en de Sint-Petrus-en-Pauluskerk verdwenen bij de verwoesting van de civitas Antwerpen door de Noormannen in 836. Een nieuwe nederzetting ontstond echter al heel kort na die inval. In tegenstelling tot de kerk situeerde deze zich niet op dezelfde plek, maar wel een kilometer noordelijker, in de omgeving van de Suikerrui.

De abrupte topografische verschuiving van de nederzetting en haar snelle opbloei zijn te verklaren door de opname van Antwerpen in het door de Noormannen gecontroleerde handelsverkeer tussen Scandinavië en West-Europa. De nieuwe locatie was voor het aanmeren en bergen van schepen veel beter geschikt. Bovendien kon de hoogte achter de Werf - de latere burchtzone - uitstekend dienen als versterking en wijkplaats.

circa 899

De omgeving van de Suikerrui vormde vanaf de late negende eeuw ook het zwaartepunt van een Karolingische nederzetting. Bewoningssporen uit de tussenliggende Merovingische periode zijn vooralsnog niet gevonden, maar er zijn aanwijzingen dat een deel van de Romeinse nederzetting bleef voortbestaan op een zandrug langs de Schelde in de omgeving van de huidige Kloosterstraat.

Keizer Otto II (967-983) richtte het handelsplaatsje langs de Schelde in als centrum van de mark Antwerpen, een militair grensdistrict dat samen met de marken Ename en Valenciennes het keizerrijk moest beschermen tegen het graafschap Vlaanderen en het Franse rijk. Het terrein rond de Werf bestemde Otto tot keizerlijke burcht, waarmee de reeds bestaande functie werd bestendigd. De Ottoonse burcht bestond uit een aarden en houten wal en een ringgracht - de Dilf of Burchtgracht -, die waarschijnlijk werd uitgegraven in een boogvormige depressie die ten noorden en zuiden van de Werf op de Schelde aansloot.

circa 1010

De natuurstenen burchtmuur waarvan we vandaag nog restanten aantreffen aan de buitenzijde van het Steen en in twee appartementencomplexen aan de Burchtgracht, wordt traditioneel gedateerd tussen 1200 en 1225. Uit opgravingen in 2008 en 2009 blijkt dat wellicht al in het eerste of tweede decennium van de elfde eeuw aan de Ottoonse verdedigingsstructuur een ringmuur was toegevoegd. Mogelijk liet keizer Hendrik II (1002-1024) met het oog op consolidatie en bescherming van het keizerrijk na de plotse dood van Otto III in 1002 de burchtmuur bouwen. De nieuwe datering kan mee verklaren waarom graaf Boudewijn V van Vlaanderen, de machtige bondgenoot van hertog Godfried II van Opper-Lotharingen, er in 1055 niet in slaagde de burcht in te nemen.

Mogelijk liet keizer Hendrik II (1002-1024) met het oog op consolidatie en bescherming van het keizerrijk na de plotse dood van Otto III in 1002 de burchtmuur bouwen. De nieuwe datering kan mee verklaren waarom graaf Boudewijn V van Vlaanderen, de machtige bondgenoot van hertog Godfried II van Opper-Lotharingen, er in 1055 niet in slaagde de burcht in te nemen.

Bij het beleg van 1055 verwoestten de Vlamingen wel de onbeschermde nederzetting buiten de versterking. Vermoedelijk als reactie daarop werd in de tweede helft van de elfde eeuw de kwetsbare prestedelijke nederzetting van een defensieve structuur voorzien, de zogenaamde "ruiendriehoek".

na 1055

Bij het beleg van 1055 verwoestten de Vlamingen wel de onbeschermde nederzetting buiten de versterking. Vermoedelijk als reactie daarop werd in de tweede helft van de elfde eeuw de kwetsbare prestedelijke nederzetting van een defensieve structuur voorzien, de zogenaamde "ruiendriehoek". De inhammen van de Koolvliet ten noorden van de burcht en van de Boter- of Suikerrui ten zuiden van de versterking werden met elkaar verbonden door een eenvoudige waterlinie met ophaalbruggen, maar zonder poortgebouwen of wallen. Bij de aanleg van de watersingel koos men voor de weg van de minste weerstand en groef men de grachten rond de zandrug die zich vanaf de burcht zowat een halve kilometer landinwaarts uitstrekte.

Wellicht maakte de combinatie van een brede natte gracht met een achterliggende hoogte verdere defensieve maatregelen zoals torens of poorten aanvankelijk overbodig. Het resultaat was een driehoekig woongebied rond de burcht, ongeveer negentien hectare groot en omgeven door een watersingel waarvan het tracé vandaag nog gemarkeerd wordt door de Suikerrui, de Kaasrui, de Jezuïetenrui, de Minderbroedersrui en de Koolkaai.

Met het oog op de verdediging van de westelijke rijksgrens verleende keizer Hendrik V in 1106 de titel van hertog aan de militair capabele Godfried I van Leuven. Voor de graven van Leuven betekende het hertogelijke ambt een substantiële machtsuitbreiding die zal leiden tot het ontstaan van het hertogdom Brabant. Onder de nieuwe beschermende vleugels verminderde de betekenis van de Antwerpse burcht.

circa 1120

Tegelijk nam het belang van de portus Antwerpen in de regionale en interregionale handel sterk toe. Symptomatisch was de inrichting van twee marktpleinen binnen de ruiendriehoek: de Vismarkt bij de Burcht en het langgerekte driehoekige forum aan de zuidrand van de nederzetting, de latere (Grote) Markt. Wat langs het handvol straten binnen de watersingel nog aan ruimte overbleef, was in het eerste kwart van de twaalfde eeuw al bijna volgebouwd.

De vernielde Sint-Petrus-en-Pauluskerk werd pas rond 900 opgevolgd door een kerk gewijd aan de aartsengel Michaël. Een reorganisatie van het kapittel van deze kerk, in 1124, resulteerde in het ontstaan van de Sint-Michielsabdij en in de verheffing van de centraler gelegen Onze-Lieve-Vrouwekerk tot parochiaal centrum.

Fysiek had Antwerpen op dat ogenblik duidelijk stedelijke kenmerken, en bovendien opereerde sinds 1146 naast de keizerlijke beheerder van de nederzetting of villicus een verkozen schepenbank, die zeker in 1194 een eigen zegel hanteerde. Pas in 1221 erkende hertog Hendrik I van Brabant om militaire en financiële redenen schriftelijk in twee privileges een aantal vrijheden en rechten van de stad.

circa 1150

Wat langs het handvol straten binnen de watersingel nog aan ruimte overbleef, was in het eerste kwart van de twaalfde eeuw al bijna volgebouwd. Vervolgens dirigeerde de behoefte aan droog en betrouwbaar bouwterrein de fysieke groei van de nederzetting vooral in zuidelijke richting, naar de omgeving van de Hoogstraat en naar de Oude Koornmarkt, die de gekromde noordoostelijke flank van de zandrug van de Hoogstraat volgde. De Oude Koornmarkt met in haar verlengde de Kammenstraat en later ook het Vleminckveld voerde van de Markt naar Mechelen, Brussel, Lier en Leuven, en bleef eeuwenlang de belangrijkste Antwerpse uitvalsweg.

Bovendien scheidde de Oude Koornmarkt de particuliere bebouwing bij de Hoogstraat van het immuniteitsgebied van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. De immuniteit van Onze-Lieve-Vrouw, waar enkel het kerkelijk recht gold, omvatte aanvankelijk alleen de Romaanse kerk en haar onmiddellijke omgeving, maar besloeg na hertogelijke schenkingen al gauw ruim zes hectare van de marginale laaggelegen gronden in de oksel van de twee reeksen stuifzandruggen. In dat gebied kwam ook een "godsakker", het Onze-Lieve-Vrouwekerkhof of Groenkerkhof, nu de Groenplaats. Die sacrale bestemming stond een profaan grondgebruik niet in de weg. Het Onze-Lieve-Vrouwekerkhof deed in de daaropvolgende eeuwen frequent dienst als marktplaats en bekostigde zo mee het beheer en de vergroting van de Onze-Lieve-Vrouwekerk.

circa 1194

Fysiek had Antwerpen op dat ogenblik duidelijk stedelijke kenmerken, en bovendien opereerde sinds 1146 naast de keizerlijke beheerder van de nederzetting of villicus een verkozen schepenbank, die zeker in 1194 een eigen zegel hanteerde. Pas in 1221 erkende hertog Hendrik I van Brabant om militaire en financiële redenen schriftelijk in twee privileges een aantal vrijheden en rechten van de stad.

circa 1200

De twaalfde-eeuwse ontwikkeling buiten de ruiendriehoek maakte de nederzetting en dan vooral de immuniteitsgronden met de parochiekerk bijzonder kwetsbaar. Toen na 1190 de politieke spanningen opliepen omdat de Duitse keizer de territoriale ambities van hertog Hendrik I van Brabant wilde beknotten, werd beslist om Antwerpen andermaal te versterken. Ook nu bepaalden vooral geologische krijtlijnen het traject van de nieuwe omwalling.

Omstreeks 1200 werd vanaf de inham van de Sint-Jansvliet de depressie ten zuiden van de Hoogstraat doorgegraven tot voorbij de kerkelijke immuniteitsgronden, waarna men afboog naar het noorden om via de westelijke oever van de laaggelegen "Meere" of Meir en de oostflank van de hoogte bij de Korte Nieuwstraat aan te sluiten op de oostpunt van de ruiendriehoek. De Steenhouwersvest, Lombardenvest en Sint-Katelijnevest werden daarmee een feit. Samen met de bestaande Minderbroedersrui en Koolvliet omsloten de nieuwe vesten een nu halvemaanvormig gebied van bijna veertig hectare.

De nederzetting was ditmaal niet alleen beschermd door een natte gracht, maar ook door een aarden wal en door stenen poorten aan zes uitvalswegen. Een wal leek men niet te hebben voorzien op het reeds bestaande noordelijke deel van de singelgracht tussen de Schelde en de Koepoort. Op die plek boden de waterzieke veeweiden in een zuidelijke uitloper van de Schijnvallei blijkbaar afdoende bescherming. Algemeen wordt de verdubbeling van het Antwerpse grondgebied rond 1200 beschouwd als de eerste van vier middeleeuwse "stadsvergrotingen".

De lokale bodemgesteldheid mag de vergroting van 1200 dan wel sterk bepaald hebben, de uitbreiding was in de eerste plaats gericht op de incorporatie van de parochiekerk en de kerkelijke vrijheid. Omdat op de uitgestrekte immuniteitsgronden aanvankelijk een verbod op privébebouwing gold, konden nieuwe woningen binnen de wallen er - behalve door fragmentatie van de bestaande gebouwen en percelen - slechts komen door het overblijvende open terrein rond de Hoogstraat en op de hoogte van de Korte Nieuwstraat in te palmen. Door ruimtetekort intra muros ontwikkelden zich al kort na de eerste vergroting twee buitenwijken: het Kipdorp op de zandrug in het verlengde van de ruiendriehoek, en het Klapdorp op de gekromde noordelijke flank van diezelfde zandrug nabij de gemeenschappelijke weidegronden, de Dries. Waarschijnlijk waren deze hoger gelegen gehuchten, net als de woonkern rond de Hoogstraat, reeds in een embryonaal stadium buiten de oude ruiengordel aanwezig.

Niet alleen particulieren weken in de eerste helft van de dertiende eeuw uit naar de buitenwijken. Ook het Mariagasthuis, sinds 1204 aan de parochiekerk verbonden, kon in de jaren 1230 enkel uitbreiden buiten de omwalling. Uiteindelijk verhuisde het hospitium in 1238 naar het drassige Elzenveld langs de landweg naar Mechelen, waar het als Sint-Elisabethgasthuis blijft bestaan.

circa 1221

Pas in 1221 erkende hertog Hendrik I van Brabant om militaire en financiële redenen schriftelijk in twee privileges een aantal vrijheden en rechten van de stad.

Niet alleen particulieren weken in de eerste helft van de dertiende eeuw uit naar de buitenwijken. Ook het Mariagasthuis, sinds 1204 aan de parochiekerk verbonden, kon in de jaren 1230 enkel uitbreiden buiten de omwalling. Uiteindelijk verhuisde het hospitium in 1238 naar het drassige Elzenveld langs de landweg naar Mechelen, waar het als Sint-Elisabethgasthuis blijft bestaan.

De jonge maar invloedrijke dominicanen- of predikherenorde kreeg in 1240 nog wel een bouwterrein binnen de wallen, al was het slechts een stuk gedraineerde, laaggelegen grond nabij de nauwelijks versterkte noordelijke vest.

In 1250 gaf hertog Hendrik III echter expansiemogelijkheden aan het predikherenklooster door het de Dries aan de overzijde van de vest te schenken.

In 1250 gaf hertog Hendrik III echter expansiemogelijkheden aan het predikherenklooster door het de Dries aan de overzijde van de vest te schenken. De stad kreeg meteen ook de toestemming om de veeweiden en het stukje van de Kraaiwijk tussen de Koolvliet en de Sint-Pietersvliet in te lijven, waarna de hinderlijke rui door het vergrote domein van de predikheren kon worden gedempt.

Aan deze tweede stadsuitbreiding, ongeveer zes hectare groot, verbond Hendrik III voorwaarden. Met het oog op nieuwe inkomsten voor de hertog moest het stadsbestuur onder meer de hertogelijke lakenhal op de Markt vergroten en een vleeshuis, een graanhal en een broodhal oprichten.

De stad verbeterde de vroegdertiende-eeuwse lakenhal, maar bouwde uiteindelijk alleen een vleeshuis langs de Burchtgracht. Vlak bij deze eerste vleeshal werd door het ambacht der vleeshouwers in 1501 het huidige Vleeshuis opgetrokken. Ook de lakenhal werd later vervangen. In 1325 prijkte op de hoek van de Markt en de Maalderijstraat een nieuwe hal voor de opslag, keuring en verkoop van lakens.

Daarop sommeerde hertog Jan II de grensstad Antwerpen dringend werk te maken van de nieuwe versterkingswerken waartoe reeds door Jan I in 1290 besloten was. De zowat honderd jaar oude vesten waren op dat ogenblik verwaarloosd en buiten de grachten lagen na een eeuw van economische en demografische groei een aantal onbeschermde woonkernen en instellingen die eventuele belegeraars als kampement en uitvalsbasis konden gebruiken.

Tijdens de Frans-Engelse oorlog van 1294-1297 schaarde hertog Jan II van Brabant zich echter aan de zijde van zijn machtige schoonvader, koning Edward I van Engeland, waarop die de uitvoer van Engelse wol naar het vasteland ten nadele van het Hollandse Dordrecht kortstondig in Mechelen en later in Antwerpen concentreerde.

De tijdelijke vestiging in 1295-1298 van de officiële markt voor Engelse wol in Antwerpen, en opnieuw in 1315-1320 en 1338-1340, maakte van de havenstad een belangrijk knooppunt in het internationale handelsverkeer.

na 1295

Toch had de verplaatsing van de wolhandel niet alleen positieve gevolgen voor de stad. De gefrustreerde Floris V van Holland veranderde van kamp, zodat Brabant dreigde ingesloten te worden. Daarop sommeerde hertog Jan II de grensstad Antwerpen dringend werk te maken van de nieuwe versterkingswerken waartoe reeds door Jan I in 1290 besloten was. De zowat honderd jaar oude vesten waren op dat ogenblik verwaarloosd en buiten de grachten lagen na een eeuw van economische en demografische groei een aantal onbeschermde woonkernen en instellingen die eventuele belegeraars als kampement en uitvalsbasis konden gebruiken. Vanaf 1295 probeerde het stadsbestuur dan ook om de stadskern en de verspreide buitenplaatsen afdoende verdedigbaar te maken.

Het werd een ambitieuze onderneming, die bij het overlijden van Jan II in 1312 nog steeds niet was afgerond. Tegen 1315 resulteerden twee decennia uitgraven en opbouwen in een gesloten, maar rommelige verdedigingsstructuur rond een globaal rechthoekig stadsgebied van liefst honderdvijfenvijftig hectare.

Vanaf 1295 probeerde het stadsbestuur dan ook om de stadskern en de verspreide buitenplaatsen afdoende verdedigbaar te maken. Het werd een ambitieuze onderneming, die bij het overlijden van Jan II in 1312 nog steeds niet was afgerond, ondanks hertogelijke grondschenkingen en financiële gunsten zoals de institutie van een geprivilegieerde wekelijkse paardenmarkt in 1298.

circa 1315

Tegen 1315 resulteerden twee decennia uitgraven en opbouwen in een gesloten, maar rommelige verdedigingsstructuur rond een globaal rechthoekig stadsgebied van liefst honderdvijfenvijftig hectare. Door de brede zandrug tussen de Kloosterstraat en de Kammenstraat was een nieuwe zuidelijke stadsvest gegraven. Deze brede gracht liep vanaf de Schelde langs de zuidkant van achtereenvolgens de Sint-Michielsabdij, de jonge Sint-Joriswijk, de schutterskapel van Sint-Joris, het Sint-Elisabethgasthuis en de gasthuisbeemden. Een traject dat de Lepelstraat, Sint-Rochusstraat, Bervoetsstraat, Sint-Jorisvest, Bourlastraat en het Blauwtorenplein vandaag nog aangeven.

De massieve Blauwe Toren beschermde het oostelijke uiteinde van de nieuwe vest. Hetzelfde deed in het westen de nog onafgewerkte "Verloren Cost" of Kronenburgtoren langs de Schelde. Drie poorten vulden de torens aan: de IJzer- of Kronenburgpoort ten zuiden van de Sint-Michielsabdij, de Sint-Jorispoort op het einde van het Vleminckveld en tussen deze twee in het "Begijnhol", een sluippoort naar het begijnhof op het Kiel. Even indrukwekkend was de Scheldemuur die de stad aan de rivierzijde beveiligde.

Veel minder imposant was daarentegen de versterking aan de oost- en noordzijde van de stad, waar het risico op vijandelijkheden kleiner was. Langs het Elzenveld, tussen de Blauwe Toren en de Meir was in de moeilijker toegankelijke laagte van het Potvlietbekken slechts een eenvoudige gracht gegraven. Deze gracht liet het stadsbestuur tegen het einde van de vijftiende eeuw verbreden tot de Wapper, een kanaal voor de aanvoer van zoet water vanuit de Herentalse Vaart. Ook tussen de Meir en de Paardenmarkt, die nog deel uitmaakte van het Klapdorp, bepaalde de terreingesteldheid het traject en het profiel van de nieuwe stadsvest. Hier werd een depressie ten oosten van het Kipdorp en de gemeenschapsgronden op de Koudenberg enigszins uitgediept en omgevormd tot verdedigingsgracht met wal. De ondiepe, gekartelde waterlinie tussen Meir en Paardenmarkt was weinig functioneel en kreeg al gauw de naam "Paddengracht" mee. Wellicht in het begin van de vijftiende eeuw liet het stadsbestuur de Paddengracht dempen voor de aanleg of verbreding van de Oudevest en Koudenberg; thans de Lange Klarenstraat, Sint-Jacobsstraat, Prinsesstraat en Grote en Kleine Kauwenberg.

De enige weerbaarheid aan de oostelijke stadsrand werd verstrekt door de Rode Poort, een honderdtal meter buiten de Paardenmarkt op de landweg naar Breda, en door de twee Kipdorppoorten op de weg naar Turnhout. De Binnenste Kipdorppoort lag net buiten het Kipdorp aan de schamele nieuwe vestgracht. De tweede of Buitenste Kipdorppoort stond eenzaam bijna een halve kilometer meer naar het oosten, ongeveer op de plek waar vandaag de Kipdorpbrug en Kipdorpvest kruisen. In het noorden tot slot koos het stadsbestuur eveneens een voordelige oplossing. Achter de erven aan het Klapdorp en de Paardenmarkt had het in het drasland van de Schijnvallei de latere Stijfselrui en Falconrui laten graven en doen aansluiten op de oude rui rond de Dries. Die bestaande U-vormige rui rond de veeweiden bleef samen met de Sint-Pietersvliet eenvoudigweg als waterlinie behouden.

De tijdelijke vestiging in 1295-1298 van de officiële markt voor Engelse wol in Antwerpen, en opnieuw in 1315-1320 en 1338-1340, maakte van de havenstad een belangrijk knooppunt in het internationale handelsverkeer.

Aan deze tweede stadsuitbreiding, ongeveer zes hectare groot, verbond Hendrik III voorwaarden. Met het oog op nieuwe inkomsten voor de hertog moest het stadsbestuur onder meer de hertogelijke lakenhal op de Markt vergroten en een vleeshuis, een graanhal en een broodhal oprichten.

De stad verbeterde de vroegdertiende-eeuwse lakenhal, maar bouwde uiteindelijk alleen een vleeshuis langs de Burchtgracht. Vlak bij deze eerste vleeshal werd door het ambacht der vleeshouwers in 1501 het huidige Vleeshuis opgetrokken. Ook de lakenhal werd later vervangen. In 1325 prijkte op de hoek van de Markt en de Maalderijstraat een nieuwe hal voor de opslag, keuring en verkoop van lakens.

De tijdelijke vestiging in 1295-1298 van de officiële markt voor Engelse wol in Antwerpen, en opnieuw in 1315-1320 en 1338-1340, maakte van de havenstad een belangrijk knooppunt in het internationale handelsverkeer.

Aan deze tweede stadsuitbreiding, ongeveer zes hectare groot, verbond Hendrik III voorwaarden. Met het oog op nieuwe inkomsten voor de hertog moest het stadsbestuur onder meer de hertogelijke lakenhal op de Markt vergroten en een vleeshuis, een graanhal en een broodhal oprichten.

De stad verbeterde de vroegdertiende-eeuwse lakenhal, maar bouwde uiteindelijk alleen een vleeshuis langs de Burchtgracht. Vlak bij deze eerste vleeshal werd door het ambacht der vleeshouwers in 1501 het huidige Vleeshuis opgetrokken.

Citaten

© nizrab .::. laatste update 2017-06-28